BWBR0045787
Geldig vanaf 2023-10-06
Artikel 6.1
Uitvoeringsbesluit WVO 2020
1. Een vestiging van een school of scholengemeenschap komt in aanmerking voor het bedrag, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wetindien:
a. sprake is van een hoofdvestiging of een nevenvestiging, waaraan door Onze Minister een registratienummer als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers is toegekend; en
b. bij die vestiging op de teldatum ten minste 130 leerlingen of, indien sprake is van een vestiging waaraan uitsluitend praktijkonderwijs wordt verzorgd, 60 leerlingen, staan ingeschreven.
2. Bij het bepalen van het bedrag per vestiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wetwordt onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de hoofdvestiging van een school of scholengemeenschap en een bedrag voor een nevenvestiging.
3. Bij het bepalen van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel b, van de wetwordt onderscheid gemaakt tussen:
a. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; en
b. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo.
4. Een hoofd- of nevenvestiging van een scholengemeenschap komt in aanmerking voor aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 5.9, derde lid, van de wet, indien aan die vestiging onderwijs wordt verzorgd in alle leerjaren van het vwo, havo, mavo en vbo. De hoogte van deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
a. sprake is van een hoofdvestiging of een nevenvestiging, waaraan door Onze Minister een registratienummer als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers is toegekend; en
b. bij die vestiging op de teldatum ten minste 130 leerlingen of, indien sprake is van een vestiging waaraan uitsluitend praktijkonderwijs wordt verzorgd, 60 leerlingen, staan ingeschreven.
2. Bij het bepalen van het bedrag per vestiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wetwordt onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de hoofdvestiging van een school of scholengemeenschap en een bedrag voor een nevenvestiging.
3. Bij het bepalen van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel b, van de wetwordt onderscheid gemaakt tussen:
a. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; en
b. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo.
4. Een hoofd- of nevenvestiging van een scholengemeenschap komt in aanmerking voor aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 5.9, derde lid, van de wet, indien aan die vestiging onderwijs wordt verzorgd in alle leerjaren van het vwo, havo, mavo en vbo. De hoogte van deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.