BWBR0045787
Geldig vanaf 2023-10-06
Artikel 3.49
Uitvoeringsbesluit WVO 2020
1. De rector of directeur verstrekt een voorlopige cijferlijst aan de examenkandidaat:
a. die: 1°. in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of
2°. het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en
1°. in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of
2°. het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en
b. die vervolgens de school verlaat zonder het eindexamen te voltooien.
2. Op de voorlopige cijferlijst worden vermeld:
a. het vak of de vakken waarin de examenkandidaat centraal examen of een afsluitend schoolexamen heeft afgelegd;
b. het cijfer van het schoolexamen;
c. het cijfer van het centraal examen;
d. het eindcijfer voor het vak;
e. de aantekening of gebruik is gemaakt van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.
3. Bij ministeriële regeling wordt het model voor de voorlopige cijferlijst vastgesteld.
4. De examenkandidaat kan geen rechten meer ontlenen aan de voorlopige cijferlijst met ingang van het moment waarop aan de examenkandidaat een cijferlijst als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de wetis uitgereikt die in ieder geval de eindcijfers van de voorlopige cijferlijst omvat.
a. die: 1°. in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of
2°. het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en
1°. in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of
2°. het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en
b. die vervolgens de school verlaat zonder het eindexamen te voltooien.
2. Op de voorlopige cijferlijst worden vermeld:
a. het vak of de vakken waarin de examenkandidaat centraal examen of een afsluitend schoolexamen heeft afgelegd;
b. het cijfer van het schoolexamen;
c. het cijfer van het centraal examen;
d. het eindcijfer voor het vak;
e. de aantekening of gebruik is gemaakt van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.
3. Bij ministeriële regeling wordt het model voor de voorlopige cijferlijst vastgesteld.
4. De examenkandidaat kan geen rechten meer ontlenen aan de voorlopige cijferlijst met ingang van het moment waarop aan de examenkandidaat een cijferlijst als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de wetis uitgereikt die in ieder geval de eindcijfers van de voorlopige cijferlijst omvat.