BWBR0045787
Geldig vanaf 2023-10-06
Artikel 2.46
Uitvoeringsbesluit WVO 2020
1. Een samenwerkingsverband baseert zijn beslissing op een in artikel 2.30, vijfde lid, van de wetbedoelde aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling toelaatbaar is voor het praktijkonderwijs, of een in artikel 2.43, eerste lid, van de wetbedoelde aanvraag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend op:
a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering, gebaseerd op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO of in artikel 43 WEC;
b. de leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen of inzichtelijk rekenen;
c. het intelligentiequotiënt van de leerling, uitdrukkende zijn cognitieve capaciteiten op basis van scores op verbaal en niet-verbaal gebied;
d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken over prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling in relatie tot de leerprestaties; en
e. voor een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs: de zienswijze van de ouders.
2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober screenings- of testinstrumenten vastgesteld voor de beoordeling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, alsmede regels voor het gebruik van die instrumenten. Bij de beslissing op de aanvraag controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag deze screenings- of testinstrumenten heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.
3. De leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpelijk lezen en inzichtelijk rekenen is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:
a. DLE staat voor didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt;
b. DL staat voor didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 WPO of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC.
4. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe indien de leerling:
a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80; en
b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen gaat om inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen en deze leerachterstand ten minste 0,5 bedraagt.
5. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe indien:
a. de leerling: 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of
1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of
b. de leerling: 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en
3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.
1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en
3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.
6. Een leerling die als het gaat om intelligentiequotiënt of leerachterstand voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die bovendien voldoet aan de vereisten voor het leerwegondersteunend onderwijs, kan toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering, gebaseerd op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO of in artikel 43 WEC;
b. de leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen of inzichtelijk rekenen;
c. het intelligentiequotiënt van de leerling, uitdrukkende zijn cognitieve capaciteiten op basis van scores op verbaal en niet-verbaal gebied;
d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken over prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling in relatie tot de leerprestaties; en
e. voor een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs: de zienswijze van de ouders.
2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober screenings- of testinstrumenten vastgesteld voor de beoordeling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, alsmede regels voor het gebruik van die instrumenten. Bij de beslissing op de aanvraag controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag deze screenings- of testinstrumenten heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.
3. De leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpelijk lezen en inzichtelijk rekenen is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:
a. DLE staat voor didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt;
b. DL staat voor didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 WPO of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC.
4. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe indien de leerling:
a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80; en
b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen gaat om inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen en deze leerachterstand ten minste 0,5 bedraagt.
5. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe indien:
a. de leerling: 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of
1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of
b. de leerling: 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en
3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.
1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;
2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en
3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.
6. Een leerling die als het gaat om intelligentiequotiënt of leerachterstand voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die bovendien voldoet aan de vereisten voor het leerwegondersteunend onderwijs, kan toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.