BWBR0043015
Geldig vanaf 2025-02-28
Artikel 3.7
SLIM-regeling
1. Indien een opleider van oordeel is dat zijn scholing voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, maar de partijen die een ontwikkelpad hebben vastgesteld dat door de minister is erkend, deze scholing niet hierin wil opnemen, kan de opleider aan de minister een verzoek tot bemiddeling doen.
2. De opleider voegt bij zijn verzoek:
a. een verklaring waarom de scholing naar zijn oordeel voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, waar mogelijk voorzien van documenten ter onderbouwing; en
b. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de opleider aan een of meer van de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld, heeft verzocht om opname van de scholing in dit ontwikkelpad en, indien hij hierover beschikt, dat dit verzoek is afgewezen en wat de redenen hiervoor waren.
3. Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.
4. Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de opleider en dragen de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, wordt ingediend.
5. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de opleider.
6. De minister kan, onverminderd artikel 3.6, eerste lid, een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.
2. De opleider voegt bij zijn verzoek:
a. een verklaring waarom de scholing naar zijn oordeel voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, waar mogelijk voorzien van documenten ter onderbouwing; en
b. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de opleider aan een of meer van de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld, heeft verzocht om opname van de scholing in dit ontwikkelpad en, indien hij hierover beschikt, dat dit verzoek is afgewezen en wat de redenen hiervoor waren.
3. Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.
4. Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de opleider en dragen de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, wordt ingediend.
5. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de opleider.
6. De minister kan, onverminderd artikel 3.6, eerste lid, een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.