BWBR0039769
Geldig vanaf 2017-07-14
Artikel 6
Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017
1. Het minimumaantal leden en de minimale waarde afgezette productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013bedraagt ongeacht of de producentenorganisatie een operationeel programma heeft:
a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 00.000;
b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 25.000.000.
2. Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag gezamenlijk door de minister aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten, als bedoeld in artikel 5, wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 24, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.
3. Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.
4. Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.
5. De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar vóór het jaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld. De waarde van de afgezette productie wordt berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de producenten die op 1 januari van het jaar waarin erkenning wordt gevraagd zijn aangesloten bij de producentenorganisatie.
a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 00.000;
b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 25.000.000.
2. Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag gezamenlijk door de minister aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten, als bedoeld in artikel 5, wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 24, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.
3. Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.
4. Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.
5. De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar vóór het jaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld. De waarde van de afgezette productie wordt berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de producenten die op 1 januari van het jaar waarin erkenning wordt gevraagd zijn aangesloten bij de producentenorganisatie.