BWBR0039769
Geldig vanaf 2017-07-14
Artikel 21
Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017
1. Producentenorganisaties, dan wel dochterondernemingen of unies van producentenorganisaties indien de afzet door hen wordt verricht, tonen op grond van artikel 11 van verordening 2017/891aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij de verkoopvoorwaarden, en meer in het bijzonder de verkoopprijzen, voor de producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend daadwerkelijk bepalen.
2. De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:
a. welke verkoper er binnen de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties of door de producentenorganisatie belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;
b. wat de taak of opdracht van de in onderdeel a bedoelde verkoper is;
c. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper door de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties wordt aangestuurd;
d. welke aanwijzingen de in onderdeel a bedoelde verkoper van de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;
e. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden, en
f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.
3. De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.
4. De producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.
5. Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks door haar bestuur geëvalueerd en deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd.
2. De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:
a. welke verkoper er binnen de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties of door de producentenorganisatie belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;
b. wat de taak of opdracht van de in onderdeel a bedoelde verkoper is;
c. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper door de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties wordt aangestuurd;
d. welke aanwijzingen de in onderdeel a bedoelde verkoper van de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;
e. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden, en
f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.
3. De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.
4. De producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.
5. Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks door haar bestuur geëvalueerd en deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd.