BWBR0035054
Geldig vanaf 2014-04-24
Artikel 9
Regeling regionaal investeringsfonds mbo
1. Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.
2. In een samenwerkingsverband werken ten minste één onderwijsinstelling en ten minste één arbeidsorganisatie samen.
3. Het samenwerkingsverband kan verder bestaan uit:
a. één of meer andere onderwijsinstellingen dan de onderwijsinstelling, bedoeld in het tweede lid;
b. één of meer andere arbeidsorganisaties dan de arbeidsorganisatie, bedoeld in het tweede lid;
c. het georganiseerd bedrijfsleven;
d. één of meer O&O-fondsen
e. één of meer regionale overheden;
f. één of meer scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
g. één of meer instellingen voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of
h. overige partijen die bijdragen aan de verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt.
4. Indien een aanvraag wordt ingediend voor een publiek-private samenwerking waar een entreeopleiding, genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wetdeel van uitmaakt, kan het samenwerkingsverband tevens bestaan uit een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra.
5. Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van de regeling.
2. In een samenwerkingsverband werken ten minste één onderwijsinstelling en ten minste één arbeidsorganisatie samen.
3. Het samenwerkingsverband kan verder bestaan uit:
a. één of meer andere onderwijsinstellingen dan de onderwijsinstelling, bedoeld in het tweede lid;
b. één of meer andere arbeidsorganisaties dan de arbeidsorganisatie, bedoeld in het tweede lid;
c. het georganiseerd bedrijfsleven;
d. één of meer O&O-fondsen
e. één of meer regionale overheden;
f. één of meer scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
g. één of meer instellingen voor hoger onderwijs, als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of
h. overige partijen die bijdragen aan de verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt.
4. Indien een aanvraag wordt ingediend voor een publiek-private samenwerking waar een entreeopleiding, genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de wetdeel van uitmaakt, kan het samenwerkingsverband tevens bestaan uit een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra.
5. Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van de regeling.