BWBR0035054
Geldig vanaf 2014-04-24
Artikel 8
Regeling regionaal investeringsfonds mbo
1. De minister kan aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling subsidie verstrekken voor een duurzame publiek-private samenwerking die ten doel heeft de aansluiting van het beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren.
2. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw, die niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 14, vierde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel;
b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de wet;
c. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden;
d. activiteiten met betrekking tot publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs waarvoor reeds subsidie is verstrekt door de minister dan wel de minister van Economische Zaken voor de ontwikkeling van een Centrum voor innovatief vakmanschap met tussenkomst van het Platform Bèta Techniek;
e. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
f. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren respectievelijk de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; en
g. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van een andere ministeriële regeling dan de onder e en f genoemde die is gericht op het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
3. In afwijking van het tweede lid, onder d, kan subsidie worden verstrekt ten behoeve van een samenwerkingsverband indien aantoonbaar nieuwe activiteiten worden gestart of indien activiteiten worden gestart waarmee de samenwerking wordt verbreed doordat een substantieel grotere doelgroep wordt bereikt.
4. De subsidie bedraagt ten minste € 200.000,– en ten hoogste € 2.000.000,– per subsidieaanvraag.
5. Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 200.000,– wordt afgewezen.
6. Onverminderd het eerste lid kan een publiek-private samenwerking waaraan een instelling voor hoger onderwijs deelneemt mede als doel hebben het ontwikkelen van een Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a, derde en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waarbij de instelling voor hoger onderwijs bijdraagt aan de cofinanciering, bedoeld in artikel 10.
2. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
a. kosten voor afschrijving van nieuwbouw en verbouw, die niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 14, vierde lid, kosten van leegstand van gebouwen, dan wel loonverletkosten van personeel;
b. activiteiten die zijn gefinancierd vanuit de rijksbijdrage voor de betreffende instelling, bedoeld in artikel 2.2.1 van de wet;
c. activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden;
d. activiteiten met betrekking tot publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs waarvoor reeds subsidie is verstrekt door de minister dan wel de minister van Economische Zaken voor de ontwikkeling van een Centrum voor innovatief vakmanschap met tussenkomst van het Platform Bèta Techniek;
e. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Regeling cofinanciering sectorplannen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
f. activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren respectievelijk de Subsidieregeling stageplaatsen zorg II van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; en
g. activiteiten die worden gesubsidieerd op grond van een andere ministeriële regeling dan de onder e en f genoemde die is gericht op het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
3. In afwijking van het tweede lid, onder d, kan subsidie worden verstrekt ten behoeve van een samenwerkingsverband indien aantoonbaar nieuwe activiteiten worden gestart of indien activiteiten worden gestart waarmee de samenwerking wordt verbreed doordat een substantieel grotere doelgroep wordt bereikt.
4. De subsidie bedraagt ten minste € 200.000,– en ten hoogste € 2.000.000,– per subsidieaanvraag.
5. Een aanvraag tot subsidieverlening voor een bedrag van minder dan € 200.000,– wordt afgewezen.
6. Onverminderd het eerste lid kan een publiek-private samenwerking waaraan een instelling voor hoger onderwijs deelneemt mede als doel hebben het ontwikkelen van een Associate-degreeprogramma als bedoeld in artikel 7.8a, derde en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waarbij de instelling voor hoger onderwijs bijdraagt aan de cofinanciering, bedoeld in artikel 10.