BWBR0035054
Geldig vanaf 2014-04-24
Artikel 14
Regeling regionaal investeringsfonds mbo
1. De meerjarenbegroting bevat een onderbouwd overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven voor de betreffende kalenderjaren waarin uitsplitsing is gemaakt in omvang en prijs voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2. De meerjarenbegroting omvat daarnaast:
a. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd;
b. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt;
c. een overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door partijen in het samenwerkingsverband;
d. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen;
e. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners;
f. de omvang van de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten;
g. een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste vier jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de publiek-private samenwerking duurzaam wordt voortgezet; en
h. indien artikel 8, zesde lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma.
3. Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 73,– per uur.
4. Indien sprake is van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
2. De meerjarenbegroting omvat daarnaast:
a. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd;
b. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt;
c. een overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door partijen in het samenwerkingsverband;
d. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen;
e. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners;
f. de omvang van de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten;
g. een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste vier jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de publiek-private samenwerking duurzaam wordt voortgezet; en
h. indien artikel 8, zesde lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma.
3. Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 73,– per uur.
4. Indien sprake is van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.