BWBR0035054
Geldig vanaf 2014-04-24
Artikel 29a
Regeling regionaal investeringsfonds mbo
1. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, gedurende de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat zal zijn om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar; of
b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 6, tweede lid.
2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 10, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a, f en g, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend; of
b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.
4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 26, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.
5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b.
a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 11, derde of vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar; of
b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 6, tweede lid.
2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 10, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a, f en g, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend; of
b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.
4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 26, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.
5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b.