Mijnbesluit BES
Titel I
Algemeene bepalingen.
Artikel 1a
Artikel 1b
Artikel 2
Dit besluit kent aan de uitdrukking onderzoekingsveld, concessieveld en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein, vergunningsterrein, opsporingsterrein, concessieterrein en ontginningsterrein dat van oppervlakte.
Artikel 3
a. onder rechthebbende op den grond degene, die een zakelijk recht daarop heeft;
b. onder derde belanghebbende degene, wiens uit een persoonlijk recht voortvloeiend belangen door een opsporing of ontginning kunnen worden geschaad.
Artikel 4
Artikel 5
Titel II
Voorschriften tot uitvoering van art.1a, derde en zesde lid der Mijnwet BES.
Hoofdstuk I
Over de vereischten waaraan aanvragers en houders van vergunning tot opsporing moeten voldoen.
Artikel 6
2. Zoolang door een aanvrager de bescheiden, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met eene mededeeling bij welke verzoek die bescheiden zijn gevoegd.
Artikel 7
2. Bij het kiezen van domicilie moet uitdrukkelijk worden verklaard dat dit geschiedt voor den duur der vergunning en voor al wat daarop betrekking heeft.
3. Het door den aanvrager gekozen domicilie gaat bij overdracht en bij overlijden van den wettige houder eener vergunning over op den verkrijger der vergunning.
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
2. Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder eener vergunning zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.
Artikel 11
2. Met betrekking tot overdrachten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gelden overigens de artt.54–59.
Artikel 12
Artikel 13
2. In de kennisgeving moet worden opgegeven:
a. de nationaliteit van den nieuwe bestuurder of commissaris;
b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. waar hij woonachtig is.
3. Onze Minister is bevoegd om te allen tijde te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bescheiden worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen, éénmaal worden verlengd.
4. Het bovenstaande geldt eveneens voor verandering in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van vergunningen of die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van vergunningen zijn.
Artikel 14
2. Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor de tijdelijk vervangende en waarnemende vertegenwoordigers.
Artikel 15
2. In het geval genoemd in art.9 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden vergunninghouder voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
3. In de gevallen genoemd in de artt.13 en 14 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwen bestuurder of commissaris, een nieuwen beheerenden vennoot dan wel een nieuwen vertegenwoordiger, de houder der vergunning nog voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
4. Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij art. 34.
Artikel 16
2. Bij die beschikking wordt tegelijkertijd het verzoek om vergunning of het verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning afgewezen, dan wel aangeteekend dat de uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen niet op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder zijn overgegaan, omdat zij niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
3. Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 17
2. Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.
Hoofdstuk II
Over de vereischten waaraan de houders van het recht op concessie en van concessiën tot ontginning moeten voldoen
Artikel 18
2. Bij het kiezen van domicilie in het verzoekschrift, moet uitdrukkelijk worden verklaard, dat dit geschiedt voor den duur der concessie en voor al wat daarop betrekking heeft. Het gekozen domicilie gaat bij overdracht van het recht op concessie, dan wel van de concessie en bij overlijden van den wettigen houder van het recht op concessie dan wel van de concessie over op den verkrijger.
3. Zoolang door een aanvrager de bescheiden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met de overlegging van afschriften dier bescheiden onder mededeeling bij welk verzoek de origineele stukken zijn gevoegd.
Artikel 19
2. Wanneer rechtverkrijgenden van een overledenen wettigen houder van het recht op eene concessie, die niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, hun recht wenschen over te dragen, moeten bij het verzoek tot goedkeuring van die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overgelegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet. Het verzoek tot goedkeuring van deze overdracht moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan. Het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
2. Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op eene concessie of van eene concessie zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen de tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.
Artikel 24
2. In de kennisgeving moet worden opgegeven:
a. de nationaliteit van den nieuwen bestuurder of commissaris;
b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. waar hij woonachtig is.
3. Onze Minister is bevoegd om te alle tijden te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bewijzen worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen éénmaal worden verlengd.
4. Het bovenstaande geldt eveneens voor veranderingen in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van het recht op concessie of van concessiën dan wel die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van het recht op concessie of van concessiën zijn.
Artikel 25
2. Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor tijdelijk vervangende of waarnemende vertegenwoordigers.
Artikel 26
2. In de gevallen genoemd in de artt.19 en 20 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie dan wel van eene concessie voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
3. In de gevallen genoemd in artt. 24 en 25 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwen bestuurder of commissaris, een nieuwen beheerenden vennoot dan wel een nieuwen vertegenwoordiger, de houder van het recht op concessie of van eene concessie nog voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
4. Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 78 en 79 of de artt.80 tot en met 85.
5. In de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt aan belanghebbenden, indien zij naar het oordeel van Onze Minister aan de gestelde vereischten voldoen, daarvan mededeeling gedaan.
Artikel 27
2. Deze beschikking wordt van wege Onze Minister aan den belanghebbende bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte medegedeeld.
3. De beschikking wordt in de Staatscourant bij uitreksel aangekondigd.
Hoofdstuk III
Over de vergunningen tot opsporing.
Artikel 28
2. Het schriftelijk verzoek om vergunning moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend bij Onze Minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend.
3. Verzoeken om vergunning per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen.
4. Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld.
Artikel 29
2. Zoolang een volmacht, welke is overlegd bij een verzoekschrift om vergunning, nog niet door de gemachtigde is terugontvangen, kan door dezen bij de indiening van andere verzoeken voor denzelfden aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift der volmacht onder mededeeling bij welk verzoek de origineele akte is overlegd.
3. Machtiging tot het aanvragen van vergunningen kan door een niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden aanvrager ook worden verleend bij de in art.8 bedoelde authentieke akte, waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld.
Artikel 30
2. In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd, en woonplaats zoomede het beroep van den aanvrager worden vermeld.
3. [vervallen]
Artikel 31
2. De hoekpunten van een aangevraagd terrein moeten in het algemeen zoo worden gekozen dat ten minste één daarvan òf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt op eenvoudige wijze bepaald is.
3. De verbindingslijnen der hoekpunten moeten bestaan uit rechte lijnen of goed waarneembare natuurlijke grenzen dan wel uit grenzen tusschen districten en plantages, voor zoover die grenzen officieel zijn vastgesteld. Meridianen en parallellen, zoomede lijnen die daarmede een aangegeven hoek vormen, mogen alleen als grenzen worden gebezigd indien zij zijn bepaald door in de nabijheid gelegen vaste punten.
Artikel 32
Artikel 33
2. Onder aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen.
3. Omtrent de voorkeur van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende aanvragen voor zoover zij voor eene gunstige beschikking in aanmerking kunnen komen wordt door het lot beslist. De loting heeft plaats op de door Onze Minister te bepalen wijze. Van den uitslag der loting wordt proces-verbaal opgemaakt. Aan belanghebbenden wordt op hun verlangen door Onze Minister van het proces-verbaal inzage verleend.
4. Wanneer een aanvrage welke ingevolge het bepaalde bij dit artikel de voorkeur heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de voorkeur de aanvrage welke bij de loting het volgend nummer heeft getrokken.
5. Bij gunstige beschikking op een aanvrage welke de voorkeur heeft, worden alle andere aanvragen welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte kan slechts vergunning worden verleend nadat daarvoor een nieuwe aanvrage is ingediend.
Artikel 34
Artikel 35
2. Vergunning tot opsporing worden niet verleend aan:
a. Minderjarigen;
b. Onder curateele gestelden;
c. Personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van vergunningen zijn uitgesloten;
d. Naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen tot wier werkkring volgens hare statuten het bedrijven van mijnbouw niet behoort.
Artikel 36
2. Het bepaalde bij het vorige lid is ook toepasselijk op aanvragen voor terreinen, waarvan een gedeelte behoort tot het onderzoekingsterrein van een ander.
Artikel 37
Artikel 38
a. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den houder der vergunning;
b. de oppervlakte van het onderzoekingsterrein, uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;
c. de grenzen van het onderzoekingsterrein;
d. den duur der vergunning;
e. den naam van het eiland en het district, waarbinnen het onderzoekingsterrein is gelegen;
f. het gekozen domicilie;
g. de voorwaarden, welke aan de vergunning zijn verbonden, in elk geval de voorwaarde genoemd in het tweede lid van art. 141;
h. het bedrag van het door den houder der vergunning verschuldigd vast recht en de tijdstippen waarop het bedrag uiterlijk over het eerste vergunningsjaar en verder telken jare over volgende vergunningsjaren moet worden voldaan;
i. den datum.
2. Voorts moet in de beschikking worden melding gemaakt van:
a. de bezwaren die door rechthebbende op den grond of derde belanghebbenden mochten zijn ingebracht en de dienaangaande genomen beslissing; indien geen bezwaren zijn ingebracht, wordt zulks uitdrukkelijk in de beschikking vermeld.
b. de beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bedoeld in het tweede lid van art.250.
Artikel 39
Artikel 40
2. De verleende vergunning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant; in die bekendmaking wordt de grensomschrijving van het afgestane onderzoekingsterrein vermeld.
3. [vervallen]
Artikel 41
2. De bepaling van het vorig lid is mede van toepassing wanneer het voor het afschrift van de vergunningsbeschikking verschuldigde zegelgeld niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is voldaan.
3. Op de krachtens dit artikel door Onze Minister genomen beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art.40.
Artikel 42
2. Op de krachtens dit artikel door Onze Minister genomen beschikking is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art.40.
Artikel 43
2. Van de in het vorig lid genoemde beschikking wordt een volledig afschrift bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 44
2. Op de in het vorig lid bedoeld beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij art.40.
Artikel 45
2. Uiterlijk eene maand na het verstrijken van den in het eerste lid van dit artikel genoemden termijn moet de houder der vergunning of zijn vertegenwoordiger dan wel hij, die overeenkomstig het bepaalde bij art.168 met de plaatselijke leiding is belast, de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba schriftelijk in kennis stellen met den aard der op het onderzoeksterrein verrichte werkzaamheden en met hetgeen overigens is verricht, zoomede met den tijd waarop en, voor zooveel de werkzaamheden op het terrein betreft, met de plaats alwaar de werkzaamheden zijn verricht en uitgevoerd.
3. Na ontvangst van de in het eerste lid genoemde schriftelijke kennisgeving gaat de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba na of hetgeen is verricht als een begin van opsporing kan worden beschouwd, nadat zoo noodig op hun last een plaatselijk onderzoek is ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt.
4. Als datum van indiening der kennisgeving, geldt die van het daarvoor kosteloos afgegeven, gedagteekend ontvangbewijs.
5. De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zendt de schriftelijke kennisgeving ten spoedigste door aan Onze Minister, vergezeld van zijn advies en, indien een plaatselijk onderzoek is ingesteld, van het opgemaakt proces-verbaal.
Artikel 46
Artikel 47
2. Het verzoek kan worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht moet bij het verzoek worden overgelegd. Het bepaalde bij het tweede en derde lid van art.29 is ten deze toepasselijk.
3. Het verzoek om verlenging mag, evenals de beschikking waarbij de verlenging wordt verleend, slechts betrekking hebben op ééne vergunning.
4. De verlengde vergunningstermijn gaat in met den dag volgende op dien waarop de termijn, waarvan de verlenging wordt verleend, eindigt of inmiddels reeds is geëindigd.
5. In afwachting van de beschikking op een verzoek om verlenging mogen de werkzaamheden op het onderzoekingsterrein voortgezet.
6. Bij overlijden van den houder eener vergunning die een verzoek om verlenging heeft ingediend, waarop alsdan nog niet is beschikt, kan de verlenging aan de rechtverkrijgenden worden verleend.
Artikel 48
2. Het verzoek om verlenging wordt mede afgewezen indien door den houder der vergunning niet door aanbieding van kwitantiën is aangetoond, of indien niet op andere wijze aan Onze Minister is gebleken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.
3. Onder diligentie wordt verstaan, dat van de vergunning ernstig gebruik is gemaakt, in dien zin, dat de werkzaamheden op het terrein zoo regelmatig mogelijk zijn voortgezet en alleen door omstandigheden onafhankelijk van den wil van den houder der vergunning nog niet tot zoodanig resultaat hebben geleid, dat op grond daarvan eene aanspraak op concessie geldend gemaakt kan worden.
4. Teneinde te kunnen beoordeelen of de houder der vergunning diligent is geweest, moet bij het verzoek om verlenging – voor de eerste maal – worden overgelegd een zakelijk verslag nopens de werkzaamheden welke gedurende en na afloop van het eerste jaar van den vergunningstermijn op het onderzoekingsterrein hebben plaats gehad, nopens hetgeen overigens is verricht, met vermelding van de resultaten dier werkzaamheden en verrichtingen. Een verzoek om verlenging waarbij geen verslag is overgelegd wordt dadelijk afgewezen.
Artikel 49
2. Overigens geldt het bepaalde bij de artt.47 4n 48 eveneens ten aanzien van verlenging voor de tweede maal.
Artikel 50
Artikel 51
Artikel 52
2. Op die beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij art.43.
Artikel 53
Artikel 54
2. Het schriftelijke verzoek tot overdracht der vergunning tot opsporing moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan.
3. Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overlegd.
4. Het verzoek om toestemming tot overdracht mag, evenals de beschikking waarbij de toestemming wordt verleend, slechts betrekking hebben op ééne vergunning.
5. Bij het overlijden van een der bij de overdracht betrokken partijen vervalt, indien de toestemming nog niet is verleend, het verzoek daartoe.
6. De overdracht gaat in met den datum van de beschikking, waarbij de toestemming wordt verleend.
Artikel 55
2. In het verzoekschrift moeten de beschikking waarbij de vergunning is verleend, zoomede de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van den verkrijger worden vermeld.
3. [vervallen]
4. Verzoeken om toestemming tot overdracht welke niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereischten voldoen, worden op dien grond afgewezen en mogen niet ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden; kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, welke in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren op zich zelf geen bezwaar op tegen het verleenen der toestemming.
Artikel 56
2. De vergunning kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge art.35 geen vergunning zou kunnen verleend.
3. De toestemming tot overdracht wordt ook geweigerd wanneer door de overdracht houder der vergunning zou worden een persoon of vennootschap, aan wie ingevolge art.53 voor het betrokken onderzoekingsterrein niet opnieuw vergunning zou mogen worden verleend.
4. De toestemming tot overdracht wordt mede geweigerd indien niet door aanbieding der kwitantiën is aangetoond of indien niet op andere wijze is gebleken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.
Artikel 57
Artikel 58
Artikel 59
2. Op die beschikking is van toepassing het bepaalde bij art.43.
Artikel 60
a. ingeval niet binnen de in art. 45 daarvoor bepaalden tijd met de opsporing is aangevangen;
b. op vordering van de rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden, ingeval de opsporingen worden ondernomen zonder dat te hunnen opzichte is voldaan aan de bepalingen van art.173.
2. De vergunning kan worden ingetrokken:
a. ingeval de houder der vergunning aan eene der daarbij gestelde voorwaarden niet voldoet.
b. hetzij voor het geheele onderzoekingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, op het verzoek van den houder der vergunning. Dit verzoek wordt in tweevoud ingediend aan Onze Minister. Op de beide exemplaren van het verzoekschrift worden dag en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld. Binnen drie maanden na den dag der indiening wordt op het verzoek beschikt.
Artikel 61
2. De beschikking waarbij eene vergunning wordt ingetrokken, vermeldt de gronden waarop de intrekking berust en wordt, tenzij de intrekking op eigen verzoek is geschied, aan den houder der vergunning gerechtelijk beteekend.
Artikel 62
2. De beschikking, waarbij eene vergunning ingevolge het eerste lid van dit artikel is ingetrokken, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 63
2. Wanneer wordt gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken om reden dat de houder niet heeft voldaan aan de voorwaarde, dat hij het door hem verschuldigd vast recht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen, wordt de houder der vergunning niet vooraf in de gelegenheid gesteld om voor zijne belangen op te komen.
Artikel 64
2. Van de beschikking waarbij de vordering van rechthebbenden op den grond of derde rechthebbenden om intrekking eener vergunning is afgewezen, wordt zoowel aan den verzoeker als den houder der vergunning afschrift verleend
3. De beschikkingen in dit artikel bedoeld worden in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Artikel 65
2. De termijn eener nieuwe vergunning als bedoeld in het vorige lid, wordt geacht te zijn ingegaan op den dag, waarop de oorspronkelijke gedeeltelijk ingetrokken vergunning inging.
3. De beschikking, waarbij het verzoek van den houder eener vergunning om intrekking van zijne vergunning of van een deel daarvan is afgewezen, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 66
2. In alle andere gevallen gaat de intrekking in op den dag, waarop de intrekkingsbeschikking aan den houder der vergunning bij deurwaardersexploit is beteekend.
3. Zoodra de intrekking van eene vergunning is ingegaan, moet de houder de opsporing op het onderzoeksterrein of op het gedeelte waarvoor de vergunning werd ingetrokken staken of doen staken.
Artikel 67
Hoofdstuk IV
Over de concessiën.
Afdeeling 1e
Concessie-aanvragen
Artikel 68
Artikel 69
2. In de concessie-aanvrage moet de aanvrager domicilie kiezen in de hoofdplaats van het eiland waarbinnen het concessie-terrein is gelegen voor den duur der concessie.
3. Het schriftelijk verzoek om concessie moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend aan Onze Minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend.
4. Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld.
5. Concessie-aanvragen per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen.
6. De concessie-aanvraag wordt zoo spoedig mogelijk na de indiening volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt met vermelding van het tijdstip der indiening.
Artikel 70
2. Zoolang een volmacht welke is overgelegd bij een concessie-aanvraag nog niet door den gemachtigde is terugontvangen, kan door dezen bij de indiening van andere verzoeken voor dezelfden aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift der volmacht onder mededeeling bij welke verzoek de origineele akte is overgelegd.
3. Machtiging tot het aanvragen van concessiën kan door een niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden aanvrager ook worden verleend bij de in de artt. 8 en 22 bedoelde authentieke akte waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld.
Artikel 71
2. Onder concessie-aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen.
3. Omtrent de in het eerste lid van art.2 der Mijnwet BES bedoelde voorkeur wordt ten aanzien van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende concessie-aanvragen beslist door Onze Minister op de door dezen te bepalen wijze.
4. Wanneer eene concessie-aanvraag, welke ingevolge het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES en dit artikel de voorkeur heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de voorkeur de daarop volgende aanvrage met inachtneming van de door Onze Minister bepaalde volgorde.
5. Bij gunstige beschikking op een aanvrage welke de voorkeur heeft, worden alle andere aanvragen, welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte wordt slechts concessie verleend nadat daarvoor een nieuwe geldige aanvrage is ingediend.
Artikel 72
Artikel 73
1°. den naam, de voornamen en de woonplaats van den verzoeker;
2°. de benaming der delfstof of de namen der delfstoffen voor welker ontginning concessie gevraagd wordt;
3°. de ligging van de ontdekte vindplaats of vindplaatsen en de grenzen, hetzij van het aangevraagde, hetzij van het bestaande concessie-terrein;
4°. den naam aan de concessie te geven of gegeven;
5°. het gekozen domicilie;
6°. het beroep en den leeftijd van den verzoeker;
7°. of de ontdekking is geschied als houder eener vergunning dan wel als concessionaris, onder opgave van datum en nummer van de vergunningsbeschikking dan wel de concessiebeschikking;
8°. den tijd waarvoor de concessie wordt aangevraagd met dien verstande dat die, ingevolge het vijfde lid van artikel 1a van de Mijnwet BES, 75 jaren niet mag te boven gaan.
Artikel 74
1°. eene aantooning als bedoeld in art. 86;
2°. eene plattegrondteekening in drievoud van het aangevraagde terrein, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door den rooimeester of een ander persoon als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, op welke plattegrondteekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven: a. de grenzen van het aangevraagd terrein;
b. de punten, geschikt voor de afbakening van merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
c. de ligging der ontdekte vindplaats of vindplaatsen;
d. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte , ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;
e. de astronomische en magnetische meridiaan.
a. de grenzen van het aangevraagd terrein;
b. de punten, geschikt voor de afbakening van merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
c. de ligging der ontdekte vindplaats of vindplaatsen;
d. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte , ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;
e. de astronomische en magnetische meridiaan.
2. Bij uitzondering kan, indien ten genoege van Onze Minister door den aanvrager overtuigend wordt aangetoond, dat het hem onmogelijk is geweest om over den rooimeester te beschikken, worden volstaan met eene door een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon verrichte plaatselijke opmeting en daarvan opgemaakte plattegrondteekening.
3. Wanneer ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merkteekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid sub 2°. genoemde kaart niet alle gegevens sub a–e te vermelden.
4. Wanneer ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond, dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde stukken niet dadelijk bij de concessie-aanvraag kunnen worden overgelegd, wordt een termijn van ten langste zes maanden gesteld waarbinnen de aanvrager die stukken moet indienen. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen éénmaal met ten langste drie maanden worden verlengd.
Artikel 75
Artikel 76
2. Lijnen zonder bekend azimuth getrokken mogen niet als grenzen worden aangenomen.
3. De hoekpunten der aangevraagde concessieterreinen moeten zóó worden gekozen dat ten minste één daarvan óf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt is bepaald.
Artikel 77
2. Concessiën tot ontginning worden niet verleend aan:
a. minderjarigen;
b. onder curateele gestelden;
c. personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van concessiën tot ontginning zijn uitgesloten;
d. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen tot wier werkkring volgens hare statuten het drijven van mijnbouw niet behoort;
e. hem, die krachtens art. 7 der Mijnwet BES van zijn rechten als concessionaris vervallen is verklaard maar alleen voor zooveel betreft het terrein zijner vroegere concessie.
Afdeeling 2e
Overdracht van het recht op concessie.
Artikel 78
2. Het verzoek moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan.
3. Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overgelegd.
4. Elk verzoek om goedkeuring mag slechts betrekking hebben op ééne concessie-aanvraag.
5. Bij het verzoek om goedkeuring tot overdracht moet, behalve de ingevolge het tweede lid van art. 18 of art. 20 en overigens gevorderde stukken worden overgelegd het door den houder van het recht op concessie ingevolge het derde lid van art. 69 terugontvangen exemplaar van zijn concessie-aanvraag. Ook moet door overlegging van kwitantiën of op andere wijze blijken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.
6. In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van den verkrijger worden vermeld.
7. Bij overlijden van den verkrijger vervalt, indien de goedkeuring nog niet is verleend, het verzoek daartoe.
8. [vervallen]
9. Het recht op concessie kan slechts op één persoon of ééne vennootschap worden overgedragen.
10. Het recht op concessie kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge art. 77 geen concessie zou kunnen worden verleend.
11. De goedkeuring op de overdracht wordt ook geweigerd indien niet door aanbieding der kwitantiën is aangetoond of indien niet op andere wijze blijkt, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.
Artikel 79
2. Elke overdracht van het recht op concessie wordt door Onze Minister bij afzonderlijke beschikking goedgekeurd.
3. De beschikking, waarbij de goedkeuring is verleend, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
4. De overdracht gaat in met den datum van de beschikking, waarbij de goedkeuring wordt verleend.
5. De beschikking waarbij een verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie wordt afgewezen, wordt met redenen omkleed en, onverminderd het bepaalde bij art. 27 in de Staatscourant bekend gemaakt.
Afdeeling 3e
Behandeling van concessie-aanvragen.
Artikel 80
2. Daartoe wordt den aanvrager onder terugzending van de concessie-aanvrage medegedeeld, dat en waarom zijne aanvrage niet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, met uitnoodiging om binnen ééne maand nadat hem die mededeeling zal zijn uitgereikt, de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen en haar daarna wederom aan Onze Minister te doen toekomen. Voor de uitgereikte mededeeling wordt door den aanvrager een gedagteekend ontvangbewijs afgegeven, terwijl voor de door hem wederom ingediende concessie-aanvrage aan hem een gedagteekend ontvangbewijs wordt uitgereikt.
3. Het bepaalde bij de vorige leden geldt ook ten aanzien van de in art. 74 genoemde, bij de aanvrage behoorende stukken
4. Voldoet de aanvrager niet aan de uitnoodiging om binnen de gestelden termijn de noodige verbeteringen in zijn aanvrage aan te brengen, dan wordt zij onvoorwaardelijk afgewezen.
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Afdeeling 4e
Het verleenen van concessiën
Artikel 86
Artikel 87
Artikel 88
Artikel 89
Artikel 90
1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris;
2°. den naam van den concessie;
3°. de oppervlakte van het concessieterrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;
4°. de grenzen van het concessieterrein aangeduid op de bij de beschikking behoorende kaart, waarop tevens de voor de plaatsing van merkteekens bestemde punten worden aangegeven, zullen twee opeenvolgende punten op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
5°. den duur der concessie;
6°. den naam van het eiland en het district, dan wel de namen van de districten waar binnen het concessieterrein gelegen is;
7°. het gekozen domicilie;
8° den naam der delfstof of de namen der delfstoffen waarvoor concessie verleend wordt;
9°. de bijzondere voorwaarden voor zoover zij noodig zijn;
10°. den datum;
11°. het bedrag van het door den concessionaris verschuldigd vast recht en de tijdstippen waarop dat bedrag uiterlijk over het eerste concessiejaar en verder telkenjare over volgende concessiejaren moet worden voldaan;
12°. de Rijks kas waar het vast recht en het uitvoerrecht moeten worden gestort;
13°. de aangaande ingebrachte bezwaren genomen beslissing; terwijl de concessionaris in de beschikking wordt verwezen naar art. 237.
Artikel 91
Artikel 92
2. Een authentieke afschrift van de beschikking wordt aan den concessionaris uitgereikt. Voor dat afschrift worden geen andere kosten in rekening gebracht dan die van het zegel.
3. Aan den concessionaris of zijn vertegenwoordiger moeten op verzoek en tegen betaling van de kosten meerdere afschriften van de concessie-beschikking, c.q. met kaart, worden uitgereikt.
Afdeeling 5e
Afwijzing van concessie-aanvragen.
Artikel 93
2. Onverminderd het bepaalde bij art. 26 wordt de beschikking volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt en aan den aanvrager kosteloos volledig afschrift van de beschikking uitgereikt.
Artikel 94
1°. indien de aanvrager niet voldoet aan de in de Mijnwet BES en dit besluit gestelde vereischten;
2°. indien de aanvrage niet voldoet aan de in dit besluit gestelde vereischten;
3°. indien Onze Minister gebruik maakt van de bevoegdheid verleend bij art. 87.
Artikel 95
2. Is na de indiening der eerste afgewezen concessie-aanvrage inmiddels de vergunning vervallen of ingetrokken, dan moeten na de afwijzing van de concessie-aanvrage de werkzaamheden op het aangevraagde terrein onmiddellijk worden gestaakt.
Afdeeling 6e
Gemengde bepalingen betreffende verleende concessiën.
Artikel 96
Artikel 97
Artikel 98
2. In de beschikking wordt de concessionaris verwezen naar het derde lid van art. 240.
3. Op de beschikkingen van Onze Minister, houdende wijziging van de grenzen en oppervlakten van concessieterreinen, is van toepassing het bepaalde bij art. 92.
Artikel 99
Hoofdstuk V
Splitsing van concessieterreinen, verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen, vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen en gedeeltelijke intrekking van concessiën.
Afdeeling 1e
Splitsing, verwisseling en vereeniging
Artikel 100
2. Betreffen de te verwisselen gedeelten van concessieterreinen of de te vereenigen concessieterreinen concessiën van verschillende houders, dan moeten de verzoeken daartoe worden gedaan door alle betrokken houders. Het verzoek moet in die gevallen bij één verzoekschrift worden gedaan.
Artikel 101
Artikel 102
Artikel 103
1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris:
2°. den naam der bestaande concessie:
3°. de data en nummers van de concessiebeschikking en de gerechtelijke akte van concessie:
4°. de grenzen van elk der gedeelten waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenscht gesplitst te zien:
5°. de namen der nieuwe concessiën:
6°. de namen van de hypothecaire of andere ingevolge art. 184 bevoorrechte schuldeischers.
2. Het verzoekschrift betreffende de splitsing moet vergezeld gaan van:
1°. eene plattegrondteekening van elk gedeelte waarin de concessionaris het bestaande concessieterrein wenscht gesplitst te zien, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting gemaakt door den rooimeester of een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon, op welke plattegrondteekeningen nauwkeurig moeten zijn aangegeven: a. de grenzen van de nieuwe concessieterreinen;
b. de punten geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte, voor zooveel betreft elk nieuw concessieterrein;
d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van elk nieuw concessieterrein.
a. de grenzen van de nieuwe concessieterreinen;
b. de punten geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte, voor zooveel betreft elk nieuw concessieterrein;
d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van elk nieuw concessieterrein.
2°. ééne of meer notarieele akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeischer of schuldeischers tegen de gewenschte splitsing geen bezwaar hebben en waarin tevens de tusschen den concessionaris en genoemde schuldeischers nopens de vestiging van hypotheken op te verleenen nieuwe concessiën gesloten overeenkomsten zijn opgenomen;
3°. ééne of meer verklaringen van den betrokken bewaarder of bewaarders der hypotheken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers.
Deze verklaringen zijn vrij van zegel.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid sub 1° van dit artikel bedoelde plattegrondteekeningen is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art. 74 en bij art. 75; ten aanzien van de begrenzing van de nieuwe concessieterreinen, welke na de splitsing zullen ontstaan, het bepaalde bij art. 76.
Artikel 104
Artikel 105
2. Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeischers tegen de gevraagde splitsing bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om splitsing niet beschikt dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met dien schuldeischer of die schuldeischers heeft verstaan dan wel diens vordering of hunne vorderingen heeft gekweten.
Artikel 106
Artikel 107
2. Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde bij art. 93.
Artikel 108
2. In elk der beschikkingen waarbij in geval van splitsing nieuwe concessiën worden verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de nieuwe concessie wordt verleend met splitsing van de oorspronkelijke concessie in zoovele op zich zelf staande, in de beschikking bepaaldelijk te omschrijven gedeelten als de concessionaris heeft verzocht; overigens moeten die beschikkingen behelzen hetgeen in art. 90 sub 1°. tot en met 12°. is vermeld
3. In de nieuwe concessie-beschikkingen mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van den concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde bij art. 143.
4. De in geval van splitsing te verleenen nieuwe concessiën worden verleend voor den duur, dien de bestaande concessie nog te loopen had, en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop die oorspronkelijke concessie inging.
5. In de nieuwe concessie-beschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar art. 240.
Artikel 109
Artikel 110
Artikel 111
Artikel 112
2. Het verzoekschrift betreffende het vereenigen van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel moet de grenzen van het nieuwe concessieterrein en den naam der nieuwe concessie behelzen en vergezeld gaan van eene plattegrondteekening van het nieuwe concessieterrein waarop de grenzen van dat terrein nauwkeurig zijn aangegeven. Overigens moeten het verzoek schrift en de daarbij over te leggen plattegrondteekening voldoen aan de voorschriften van art. 103.
3. Indien de vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen betrekking heeft op concessiën van twee of meer verschillende houders, dan moet het verzoek om vereeniging worden gedaan door alle betrokken concessionarissen en daarin worden vermeld aan wie van hen zij wenschen dat de nieuwe concessie zal worden verleend.
4. Indien op een verzoek om vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen tot een geheel gunstig wordt beschikt, verleent Onze Minister aan den houder der oorspronkelijke concessiën welker terreinen worden vereenigd, ééne nieuwe concessie voor het vereenigde terrein. Heeft de vereeniging van twee of meer aan elkander grenzende concessieterreinen betrekking op concessiën van twee of meer verschillende houders, dan wordt de nieuwe concessie verleend aan hem, die in het verzoek om vereeniging door de betrokken concessionarissen als houder der te verleenen nieuwe concessie is aangewezen.
5. De in geval van verwisseling van gedeelten van aangrenzende concessieterreinen te verleenen nieuwe concessiën worden verleend voor den duur, dien de bestaande Concessiën nog te loopen hadden en worden derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop de betrokken oorspronkelijke concessiën ingingen.
6. De in geval van vereeniging van aan elkander grenzende concessieterreinen te verleenen nieuwe concessie wordt verleend voor den kortsten duur dien eene van de bestaande concessiën nog te loopen had en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop laatstbedoelde concessie inging.
Afdeeling 2e
Gedeeltelijke intrekking
Artikel 113
Artikel 114
2. Zij wordt slechts toegestaan indien het gedeelte van het concessieterrein, dat de concessionaris wenscht te behouden, bestaat uit één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt.
Artikel 115
1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris;
2°. den naam der bestaande concessie;
3°. de data en nummers van de concessie-beschikking en de gerechtelijke akte van concessie;
4°. de grenzen van het gedeelte van het concessieterrein waarvoor de concessionaris intrekking verzoekt en van het gedeelte dat hij wenscht te behouden;
5°. den naam der nieuwe concessie;
6°. de namen van de hypothecaire of andere ingevolge art. 184 bevoorrechte schuldeischers.
2. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van:
1°. eene plattegrondteekening van het gedeelte van het concessieterrein dat de concessionaris wenscht te behouden, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door den rooimeester of een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon, op welke plattegrondteekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven: a. de grenzen van het terrein, dat de concessionaris wenscht te behouden;
b. de punten, geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;
d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van het nieuwe concessieterrein;
a. de grenzen van het terrein, dat de concessionaris wenscht te behouden;
b. de punten, geschikt voor de afbakening van nieuwe merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
c. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte, ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;
d. den astronomischen en den magnetischen meridiaan van het nieuwe concessieterrein;
2°. ééne of meer notarieele akten waaruit blijkt, dat de hypothecaire schuldeischer of schuldeischers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking geen bezwaar hebben en waarin tevens de tusschen den concessionaris en genoemde schuldeischers nopens de vesting van hypotheken op de te verleenen nieuwe concessie gesloten overeenkomsten zijn opgenomen;
3°. ééne of meer verklaringen van den betrokken bewaarder of bewaarders der hypotheken in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers. Deze verklaringen zijn vrij van zegel.
3. Wanneer ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merkteekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid sub 1°. genoemde kaart niet alle gegevens sub a–d te vermelden.
4. Ten aanzien van de in het tweede lid sub 1°. van dit artikel bedoelde plattegrondteekening is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art. 74 en bij art. 75, ten aanzien van de begrenzing van het nieuwe concessieterrein, dat na de gedeeltelijke intrekking zal ontstaan, het bepaalde bij art. 76.
Artikel 116
Artikel 117
2. Indien door een of meer van de in het eerste lid van dit artikel genoemde schuldeischers tegen de gevraagde gedeeltelijke intrekking bezwaren zijn ingebracht, wordt op het verzoek om gedeeltelijke intrekking niet beschikt dan nadat ten genoegen van Onze Minister is aangetoond, dat de concessionaris zich met dien schuldeischer of die schuldeischers heeft verstaan dan wel diens vordering of hunne vorderingen heeft gekweten.
Artikel 118
Artikel 119
2. Op de afwijzende beschikking is van toepassing het bepaalde bij art. 93.
Artikel 120
2. In de beschikking waarbij in geval van gedeeltelijke intrekking eene nieuwe concessie wordt verleend, wordt uitdrukkelijk vermeld dat de nieuwe concessie wordt verleend met intrekking van de oorspronkelijke concessie; overigens moet de beschikking behelzen hetgeen in art. 90 sub 1° tot en met 12° is vermeld.
3. In de nieuwe concessie-beschikking mogen geen andere voorwaarden worden gesteld dan aan de oorspronkelijke concessie waren verbonden, tenzij op verzoek of met toestemming van den concessionaris en overigens met inachtneming van het bepaalde bij art. 143.
4. De in geval van gedeeltelijke intrekking te verleenen nieuwe concessie wordt verleend voor den duur, dien de bestaande concessie nog te loopen had, en wordt derhalve geacht te zijn ingegaan op den dag waarop die oorspronkelijke concessie inging.
5. In de nieuwe concessie-beschikking wordt de concessionaris verwezen naar art. 240.
Artikel 121
Artikel 122
Artikel 123
Hoofdstuk VI
Het verleenen van concessiën na openbare mededinging.
Artikel 124
Artikel 125
Artikel 126
Artikel 127
2. Leidt de openbare mededinging tot geen resultaat dan wordt, voor zoover daartoe termen bestaan en niet onderhands concessie is of wordt verleend, het volgens artt. 124 en 125 gereserveerde terrein weder opengesteld voor opsporingen.
Artikel 128
Artikel 129
2. De beschikking, waarbij eenig terrein als bedoeld in de artt. 126 en 128, krachtens het tweede lid van art. 127 en met toepassing van het bepaalde bij art. 176, voor zoover daartoe termen bestaan door Onze Minister weder voor opsporingen wordt opengesteld, wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 130
Artikel 131
2. Tot het houden van de openbare inschrijving wordt eerst overgegaan nadat vaststaat, dat in verband met den uitslag der in art. 130 genoemde bekendmaking geen redenen van algemeen belang zich tegen het verleenen van de concessie verzetten.
Artikel 132
2. De beschikking betreffende de toewijzing wordt in de Staatscourant volledig openbaar gemaakt.
Artikel 133
1°. de som, waarvoor door hem is ingeschreven binnen den in de voorwaarden der inschrijving vastgestelden termijn ineens in ’s Rijks kas te storten;
2°. binnen een termijn van zes maanden na den datum van het nummer van de Staatscourant waarin de beschikking ingevolge het tweede lid van art. 132 is openbaar gemaakt aan Onze Minister in te dienen: a. eene verklaring waarbij door hem overeenkomstig het tweede lid van art. 69 domicilie wordt gekozen, met vermelding van den aan de concessie te geven naam;
b. eene plattegrondteekening, voldoende aan het bepaalde bij het eerste lid sub 2° van art. 74.
a. eene verklaring waarbij door hem overeenkomstig het tweede lid van art. 69 domicilie wordt gekozen, met vermelding van den aan de concessie te geven naam;
b. eene plattegrondteekening, voldoende aan het bepaalde bij het eerste lid sub 2° van art. 74.
Artikel 134
De artt. 90, 91, 92 en 143 zijn ten deze ook van toepassing.
2. De definitieve toewijzing vervalt onvoorwaardelijk indien niet binnen de gestelde termijnen aan het bepaalde bij art. 133 is voldaan. De beschikking van Onze Minister, waarbij daarvan aanteekening wordt gehouden, wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.
Hoofdstuk VII
Over de uitgestrektheid, waarvoor vergunningen tot opsporing en concessiën tot ontginning kunnen worden erlangd.
Artikel 135
Artikel 136
2. Indien, in het belang van eene doelmatige begrenzing, zulks door Onze Minister noodig wordt geoordeeld, kan aan een aanvrager, behoudens de rechten en aanspraken van anderen, vergunning worden verleend voor eene grootere uitgestrektheid dan door hem is aangevraagd en mag ook het in het eerste lid van dit artikel genoemde maximum worden overschreden, maar alleen voor zoover dat strikt noodzakelijk is met het oog op de begrenzing.
3. Ieder kan in één of meer districten zoovele onderzoekingsterreinen krijgen, ook door overdracht, als hij zelf wenscht en beschikbaar zijn, mits elk terrein op zich zelf niet grooter zij dan het in dit artikel genoemde maximum.
Artikel 137
Artikel 138
Artikel 139
2. Een authenthiek afschrift van de beschikking wordt aan den concessionaris uitgereikt.
Artikel 140
Hoofdstuk VIII
Over de voorwaarden, waaronder vergunning tot opsporing en concessiën tot ontginning kunnen worden erlangd.
Afdeeling Eerste
Algemeene bepalingen.
Artikel 141
2. In elke vergunningsbeschikking wordt als voorwaarde gesteld dat de houder bij het gebruik maken van het hem verleend recht de bepalingen der Mijnwet BES, de wettelijke voorschriften tot uitvoering dier wet en de bij de vergunning gestelde voorwaarden moet in acht nemen, in het bijzonder dat hij het door hem verschuldigd vast recht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen.
3. De in dit artikel bedoelde voorwaarden mogen, zoolang de vergunning van kracht is, niet worden gewijzigd of met nieuwe uitgebreid dan op verzoek of met toestemming van den houder der vergunning.
4. Op de beschikkingen, houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden eener vergunning, of afwijzing van een daartoe strekkend verzoek, is van toepassing het bepaalde bij art. 40.
Artikel 142
Artikel 143
Artikel 144
2. Op de beschikkingen van Onze Minister houdende wijziging of uitbreiding van de voorwaarden van concessiën is van toepassing het bepaalde bij art. 92.
3. In die beschikkingen wordt de concessionaris verwezen naar het derde lid van art. 240.
Afdeeling 2e
Over heffing van vast recht
Artikel 145
2. Het wegens vast recht verschuldigd bedrag moe steeds in zijn geheel worden voldaan.
Artikel 146
2. Over volgende vergunningsjaren moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag vóór den aanvang van elk vergunningsjaar worden voldaan.
Artikel 147
2. Mocht over eenig jaar dat is ingegaan na den datum van de beschikking, waarbij eene vergunning is ingetrokken, het vast recht reeds zijn betaald, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan den rechthebbende zoodra mogelijk terugbetaald.
Artikel 148
2. Het vast recht berekend over het gedeelte of de gedeelten, die de vergunninghouder, wiens vergunning op verzoek voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, behoudt, is voor de eerste maal verschuldigd over het vergunningsjaar dat ingaat op of na den datum van de beschikking der gedeeltelijke intrekking en moet voor het eerst uiterlijk binnen drie maanden na den datum van de nieuwe vergunningsbeschikking of de nieuwe vergunningsbeschikkingen, bedoeld in het tweede lid van art. 65 worden voldaan.
3. Mocht over eenig jaar dat is ingegaan na den datum van de beschikking, waarbij eene vergunning voor een gedeelte van het opsporingsterrein is ingetrokken, het vast recht reeds over de gehele oppervlakte zijn voldaan, dan wordt het te veel betaalde, als onverschuldigd, aan den rechthebbende zoodra mogelijk terugbetaald.
Artikel 149
2. Heeft de in het eerste lid van dit artikel bedoelde wijziging van het aantal hectaren der oppervlakte plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgend vergunningsjaar verschuldigd vast recht reeds mocht zijn voldaan, zoo moet, indien het gewijzigd cijfer eene grootere oppervlakte van het opsporingsterrein aangeeft dan aanvankelijk was aangenomen, hetgeen meer aan vast recht verschuldigd is uiterlijk op den laatsten dag der derde maand, volgende op die waarin de wijziging heeft plaats gehad, worden bijbetaald, terwijl indien het gewijzigd cijfer eene kleinere oppervlakte aangeeft, het te veel betaalde aan den rechthebbende zoodra mogelijk wordt terugbetaald. Van den datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt aanteekening gehouden in de beschikking waarbij de wijziging plaats heeft.
3. In de in het tweede lid van dit artikel bedoelde beschikking wordt mede aanteekening gehouden van het gewijzigd bedrag van het vast recht en van het tijdstip waarop dat uiterlijk voor de eerste maal moet worden voldaan.
Artikel 150
2. De rijksoverheid heft van iedere concessie een jaarlijksch, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, vast recht, evenredig aan de oppervlakte van het concessie-terrein en ten bedrage van USD 0.14 per hectare.
3. Restitutie van gedane betalingen wegens verschuldigd vast recht heeft niet plaats.
Artikel 151
Artikel 152
2. Wanneer de concessie-aanvraag van den ontdekkerconcessionaris voldoet aan de gestelde vereischten dan wordt eene beschikking opgemaakt, waarin aanteekening wordt gehouden:
a. van de oppervlakte van het aangevraagde concessieterrein;
b. van het bedrag van het verschuldigd vast recht;
c. van de tijdstippen waarop het vast recht voor de eerste maal, en wel uiterlijk binnen drie maanden gerekend van den datum der beschikking, en verder telken jare bij vooruitbetaling moet worden voldaan;
d. van de Rijks kas waar het vast recht moet worden gestort,
3. Van de beschikking wordt behalve aan den ontdekkerconcessionaris een afschrift gezonden aan de betrokken Ontvanger.
Artikel 153
Artikel 154
Artikel 155
2. In de opgaven moeten worden vermeld:
a. de data en nummers der betrekkelijke beschikkingen;
b. de namen der houders van de vergunningen waarvan vast recht verschuldigd is;
c. de bedragen van het verschuldigd vast recht zoomede de vergunningsjaren waarover die bedragen verschuldigd zijn;
d. de tijdstippen waarop het vast recht over elk vergunningsjaar uiterlijk moet worden voldaan.
Artikel 156
Artikel 157
Artikel 158
2. Het wegens vast recht verschuldigd bedrag, moet steeds in zijn geheel worden voldaan.
3. Over het eerste concessie-jaar moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de concessie is aangevangen worden voldaan.
4. Over de volgende concessie-jaren moet het vast recht uiterlijk op den laatsten dag vóór den aanvang van elke concessie-jaar worden voldaan.
5. In de beschikking waarbij eene concessie wordt verleend, wordt ingevolge art. 90 aanteekening gehouden:
a. van de oppervlakte van het concessie-terrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;
b. van het bedrag van het vast recht en van de tijdstippen waarop dat bedrag overeenkomstig dit artikel uiterlijk over het eerste concessie-jaar en verder telken jare over volgende concessie-jaren moet worden voldaan;
c. van de Rijks kas waar het vast recht moet worden gestort.
Artikel 159
a. een concessie-terrein in op zich zelf staande gedeelten wordt gesplitst, een gedeelte van een concessie-terrein met dat van een aangrenzend concessie-terrein wordt verwisseld, twee of meer aan elkander grenzende concessie-terreinen tot een geheel worden vereenigd;
b. eene concessie op verzoek van den concessionaris gedeeltelijk wordt ingetrokken;
c. de oppervlakte van een concessie-terrein bij beschikking van Onze Minister krachtens art. 98 wordt gewijzigd;
is het vast recht, berekend naar de oppervlakte van de concessie-terreinen, zooals die is vastgesteld in de beschikkingen van Onze Minister welke op de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte betrekking hebben, voor de eerste maal verschuldigd over het jaar (concessie-jaar), dat na den datum dier beschikkingen ingaat.
2. Het vast recht van de concessiën, waarop de in het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen betrekking hebben, moet voor de eerste maal uiterlijk worden voldaan op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte heeft plaats gehad.
3. Heeft de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte van concessiën plaats op een tijdstip, waarop het over het daarop volgend jaar (concessie-jaar) verschuldigd vast recht van de oorspronkelijke oppervlakte reeds mocht zijn voldaan, zoo moet hetgeen meer aan vast recht verschuldigd is, uiterlijk worden bijbetaald op den laatsten dag der derde maand volgende op die waarin de splitsing, verwisseling, vereeniging, gedeeltelijke intrekking of wijziging der oppervlakte heeft plaats gehad, terwijl het teveel betaalde aan den rechthebbende zoodra mogelijk wordt terugbetaald. Van den datum waarop de bijbetaling uiterlijk moet geschieden, wordt in de betrekkelijke beschikkingen van Onze Minister, bedoeld in de artt. 98, 108, 112 en 120, aanteekening gehouden. Ingevolge de evengenoemde artikelen wordt in die beschikkingen mede aanteekening gehouden van de bedragen van het verschuldigd vast recht en van tijdstippen waarop die bedragen voor de eerste maal en telkens over volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan.
Artikel 160
2. In de quitantiën voor betaald vast recht, moet behalve van de namen der belastingschuldigen en der concessiën , ook melding worden gemaakt van het concessie-jaar, waarop de betaling betrekking heeft.
Artikel 161
Afdeeling 3de
Het mijnrecht of de cijns
Artikel 161a
2. De cijns bedraagt ten minste één kwart ten honderd en ten hoogste tien ten honderd van de waarde der gewone delfstoffen.
3. Onze Minister stelt, bij het verlenen van de concessie, het percentage van de cijns vast, rekening houdende met de aard van de delfstoffen, zomede met de gesteldheid van het terrein waarbinnen, de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ontginning zal moeten plaats vinden.
4. De cijns kan op naar tijdvakken wisselende percentages worden vastgesteld.
5. Indien de houder van de concessie ten genoegen van Onze Minister aantoont, dat de ontginning over het afgelopen jaar, als gevolg van bij de aanvang der concessie niet te voorziene omstandigheden, verlies heeft opgeleverd, kan Onze Minister de over dat jaar verschuldigde of betaalde cijns gedeeltelijk kwijtschelden of teruggeven.
Artikel 161b
hetzij uitsluitend een daarbij overeen te komen cijns over de gewonnen delfstoffen,
hetzij, nevens zodanige cijns of in plaats van cijns, een daarbij overeen te komen aandeel in de met de ontginning behaalde winst.
Artikel 161c
2. Behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel strekt de werkelijke verkoopprijs van de delfstoffen, al dan niet nadat deze een bewerking hebben ondergaan, tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde.
3. Indien de werkelijke verkoopprijs niet geacht kan worden op normale wijze tot stand te zijn gekomen, strekt de wereldmarktprijs, zo deze bestaat, en anders de geschatte verkoopwaarde tot grondslag voor de berekening van de handelswaarde.
Artikel 161d
2. Als voorlopige handelswaarde per eenheid produkt wordt aangemerkt de verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel:
a. welke definitief voor het voorlaatste kalenderjaar werd vastgesteld volgens onderstaande regelen, of
b. welke gedurende het lopende kalenderjaar werd behaald, of
c. welke voor het komende kalenderjaar vermoedelijk zal gelden.
3. Op basis van de voorlopig vastgestelde handelswaarde vindt de heffing van de cijns in het komende kalenderjaar plaats.
4. Binnen tien maanden na afloop van dat kalenderjaar wordt aan de hand van de uitkomsten van het ontginningsbedrijf van de concessiehouder gedurende dat jaar de handelswaarde per eenheid produkt over dat kalenderjaar definitief vastgesteld
5. Voor het eerste kalenderjaar of het nog overblijvende gedeelte daarvan, zal van een ontginning als voorlopige handelswaarde per eenheid produkt worden aangemerkt de vermoedelijke verkoopprijs als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, welke voor het mijnprodukt in dit tijdvak zal gelden.
6. De vaststelling van de voorlopige en de definitieve handelswaarde geschiedt bij beschikking van de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES. Een afschrift van de beschikking wordt per aangetekende brief toegezonden of tegen schriftelijk ontvangstbewijs uitgereikt aan de concessiehouder of zijn vertegenwoordiger.
7. De concessiehouder is tegenover ’s Rijks kas aansprakelijk voor de cijns.
Artikel 161e
2. Binnen acht dagen na afloop van elke maand doet de concessiehouder aangifte bij de Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES van de gedurende die maand geleverde produkten en betaalt hij de cijns berekend naar de voorlopig vastgestelde handelswaarde, bij de ontvanger, onder overlegging van een afschrift van de aangifte.
3. Binnen acht dagen na de dagtekening van de beschikking waarbij de handelswaarde over enig jaar definitief werd vastgesteld betaalt de concessiehouder de te weinig betaalde cijns bij de ontvanger.
4. De bepalingen van hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES zijn van overeenkomstige toepassing op de invordering of de navordering van de cijns.
5. ’s Rijks kas heeft voor de cijns recht van voorrang, gaande boven alle andere bestaande voorrechten, daaronder begrepen pand en hypotheek, behalve de voorrechten bij de artikelen 1165 ten eerste en 1175 ten eerste van het Burgerlijk Wetboek BES bepaald, op alle roerende en onroerende goederen van de belastingschuldige.
Artikel 161f
2. De Inspecteur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane- en Accijnswet BES is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Raad van Beroep.
Artikel 161g
Artikel 161h
2. Bij niet tijdige voldoening van de cijns is artikel 160 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 161i
Hoofdstuk IX
Over de rechten en verplichtingen uit de vergunningen tot opsporing en de concessiën tot ontginning voortvloeiende
Artikel 162
2. Over de door hem verkregen delfstoffen mag de opspoorder, behoudens de rechten van anderen, vrijelijk beschikken.
3. Hetgeen in de artt. 164, 165 en 166 bepaald is omtrent concessionarissen en ontginningen is eveneens van toepassing op houders van vergunningen tot het doen van opsporingen en door hen verrichte opsporingen.
Artikel 163
2. Delfstoffen genoemd in artikel 1a van de Mijnwet BES, die niet in de akte van concessie zijn genoemd, mogen door den concessionaris, tenzij hij tot de winning daarvan eene nadere concessie heeft verkregen, niet gewonnen worden, dan voor zoover, ter beoordeeling van Onze Minister, de samenhang dier delfstoffen met de in de akte van concessie genoemde hare gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt. Heeft een ander in hetzelfde mijnveld eene concessie voor de winning van die delfstoffen, dan moet de overeenkomstig dit lid gewonnen hoeveelheid daarvan op zijne vordering, tegen vergoeding der kosten van voortbrenging aan hem worden afgestaan.
Artikel 164
2. Is de schade door twee of meet ontginningen veroorzaakt, dan zijn de concessionarissen daarvan gemeenschappelijk en wel tot gelijke deelen tot vergoeding der schade gehouden, onverminderd het recht om onderling terug te vorderen wat elk dientengevolge meer mocht hebben bijgedragen dan zijn aandeel in de schade bedraagt. Evenwel zal het aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond vrijstaan om, het bewijs leverende dat de verhouding van concessionarissen wat betreft elks aandeel in de toegebrachte schade anders is dan die van gelijke deelen, dienovereenkomstig hunne vordering tot schadevergoeding in te richten.
3. De verplichting tot vergoeding strekt zich niet uit tot schade aan gebouwen of inrichtingen tot stand gekomen op een tijdstip dat het gevaar, waarmede die door de ontginning bedreigd worden, den rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond bij gewone opmerkzaamheid niet onbekend had kunnen blijven. Behoort, tengevolge van het door de ontginning veroorzaakte gevaar, de oprichting van zoodanige werken boven den grond achterwege te blijven, dan kunnen rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond daaraan geen aanspraak op schadevergoeding wegens waardevermindering ontleenen, indien het blijkt, dat hun geopenbaard voornemen om zoodanige werken op te richten kennelijk slechts het ontvangen van schadevergoeding ten doel heeft.
Artikel 165
2. De concessionaris is aansprakelijk voor de schade, die hij aan eene naburige ontginning toebrengt.
Artikel 166
Artikel 167
a. binnen den tijd van twee jaren na den datum van de beschikking waarbij de concessie is verleend of van de beschikking waarbij het beloop der concessie- grenzen krachtens artt. 98, 100 of 114 is gewijzigd, de begrenzing van het concessieterrein dienovereenkomstig af te bakenen door plaatsing op de daarvoor in de betrekkelijke beschikking of op de daarbij behoorende kaart aangegeven punten,van goed gefundeerde steenen of ijzeren merkteekens, waarop ten minste 1.50 meter boven den beganen grond de letters M. C. zoomede de beginletters van ieder in den naam der concessie voorkomend woord zijn aangebracht;
b. op daartoe van rijksoverheidswege gedane aanzegging en binnen den tijd, op de wijze en op de plaatsen, voor elk geval aangegeven, ter nadere aanwijzing van de grenzen van het concessie-terrein merkteekens op andere punten dan de door sub a aan te brengen;
c. de merkteekens in behoorlijken staat te onderhouden;
d. de merkteekens, vervallen wegens wijziging van het beloop der concessie-grenzen, binnen den tijd van één jaar na den datum van de wijzigingsbeschikking, maar niet alvorens de in verband met de wijziging noodige nieuwe merkteekens zijn aangebracht, te verwijderen.
2. Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is bevoegd voor en namens den nalatigen concessionaris en op diens kosten en risico de merkteekens overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, te doen plaatsen, onderhouden en verwijderen.
Artikel 168
2. De beheerder der onderneming moet door of vanwege den concessionaris worden voorzien van een schriftelijke volmacht, waarin zijne bevoegdheden duidelijk zijn omschreven; de volmacht moet telkens op aanvrage aan de bestuurs- en de met het toezicht belaste ambtenaren worden vertoond.
3. De concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen zijn verplicht aan Onze Minister opgave te doen van den naam en de woonplaats van den beheerder van elke onderneming, en zulks binnen dertig dagen nadat diens aanstelling heeft plaats gehad. Deze bepaling is ook van toepassing op tijdelijk vervangende en waarnemende beheerders.
Artikel 169
de aanleg van stapel-, opslag- en scheepplaatsen, van los- en laadhoofden en aanlegplaatsen voor schepen, van land- en waterwegen, met inbegrip van spoorwegen, van machine-installaties, van verzamelplaatsen van water en andere vloeistoffen, van buis- en andere leidingen, van wasch-, sorteerings- en reinigingsinrichtingen en van smeltovens; de plaatsing van merkteekens tot afbakening en van de concessie-grenzen; de oprichting van tot uitvoering van het mijnbouwbedrijf en tot huisvesting, voeding of verpleging der werklieden bestemde gebouwen en inrichtingen; het aanbrengen van toe- en afvoerwegen van lucht; de oprichting van magazijnen voor springmiddelen en de toegangswegen daarheen en van inrichtingen tot fabricatie van cokes en briketten indien die ter plaatste der kolenontginning worden opgericht; zoomede de aanleg en uitvoering van alle andere voor het bedrijf noodige werken waaromtrent in geval van twijfel door Onze Minister wordt beslist dat zij vallen onder de in art. 163 genoemde werken.
Artikel 170
2. Betwist de concessionaris, binnen wiens mijnveld het hulpwerk van een anderen concessionaris zou moeten worden aangelegd, zijne verplichting om dien aanleg te gedoogen, zoo mag daartoe eerst worden overgegaan nadat Onze Minister ter zake beslist en verlof tot den aanleg verleend heeft.
3. De concessionaris, die eenig hulpwerk binnen het mijnveld van een anderen concessionaris aanlegt, is verplicht tot volledige vergoeding van alle schade door dien aanleg aan dat mijnveld en de daarin voorkomende werken toegebracht.
4. De delfstoffen gewonnen bij den aanleg van hulpwerken worden, voor zoover de concessionaris, door wien die werken ten behoeve van zijn bedrijf zijn aangelegd,die behoudt, beschouwd als een deel van de opbrengst van de door hem gedreven mijnontginning.
5. De delfstoffen, gewonnen bij den aanleg van hulpwerken binnen het mijnveld van een anderen concessionaris, moeten aan dezen op zijn verlangen kosteloos worden afgegeven voor zoover hem concessie is verleend voor de winning van die delfstoffen.
6. Het hulpwerk wordt beschouwd als één geheel uit te maken met het mijnveld ten behoeve waarvan het is aangelegd of, indien het ten behoeve van meer dan één mijnveld is aangelegd en de betrokken concessionarissen daaromtrent niet anders zijn overeengekomen, als deel van die verschillende mijnvelden.
Artikel 171
2. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is ook van toepassing op de daar bedoelde delfstoffen, gewonnen bij den aanleg van hulpwerken.
Artikel 172
Hoofdstuk X
Over de rechten en verplichtingen van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden, voor het geval ten behoeve van opsporingen of ontginningen over den grond moet worden beschikt en van naburige concessionarissen onderling.
Afdeeling Eerste
Algemeene bepalingen
Artikel 173
a. mits zij door den houder der vergunning vooraf, onder vertoon van de vergunning of een authentiek afschrift daarvan, in kennis gesteld zijn met diens voornemen tot het doen van opsporingen en met de plaats waar die zullen geschieden;
b. tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling.
Artikel 174
a. in terreinen of streken, gereserveerd hetzij voor opsporing of ontginning van rijksoverheidswege, hetzij voor de uitgifte van eene concessie na openbare mededinging volgens de art. 124–133;
b. in terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zoolang zij ingevolge die vergunning eene aanspraak op concessie geldend kunnen maken;
c. in terreinen of streken door Onze Minister om redenen van algemeen belang voor opsporingen gesloten.
Artikel 175
2. De concessionaris is verplicht, desgewenscht tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, het doen van opsporingen in zijn mijnveld door een ander te gedoogen, mits de beheerder der onderneming tweemaal vier en twintig uren vóór den aanvang dier opsporingen op den voet van art. 173 sub a door den houder der vergunning met diens voornemen daartoe wordt in kennis gesteld.
3. De schadeloosstelling dan wel de te stellen zekerheid worden, wanneer partijen in dat opzicht niet tot eenstemmigheid kunnen geraken, op de vordering van den houder der vergunning overeenkomstig de artt. 188 tot en met 209 bepaald door den rechter, bevoegd om kennis te nemen van geschillen van denzelfden aard met betrekking tot de concessie.
4. Doen die opsporingswerken gevaar ontstaan voor de stevigheid der mijnwerken dan wel voor den ongestoorden gang van het bedrijf van den concessionaris, of wel is het te voorzien dat dit het gevolg zal zijn van den aanleg van de opsporingswerken, dan worden die door Onze Minister verboden.
Artikel 176
Artikel 177
A. gelegen binnen een afstand van 25 meter: 1°. van kerkhoven of graven;
2°. van openbare of gewijde gronden;
3°. van publieke wegen;
1°. van kerkhoven of graven;
2°. van openbare of gewijde gronden;
3°. van publieke wegen;
B. waarop zich beplantingen bevinden die, naar het oordeel van Onze Minister, in strijd met het algemeen belang geheel of gedeeltelijk door de opsporingen zouden kunnen worden verstoord of vernield.
2. Opsporingen strekken zich, zonder de vooraf verkregen bewilliging van Onze Minister, binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden gelegen binnen den afstand van 50 meter van overheidsgebouwen, noch tot die gelegen binnen den verboden kring van versterkingen.
3. Opsporingen strekken zich binnen het terrein van onderzoek niet uit tot gronden, waarop die door Onze Minister, om redenen van algemeen belang, zijn verboden. Het bepaalde in art. 176 is hierop van toepassing.
4. Opsporingen strekken zich, zonder de vooraf verkregen toestemming van de rechthebbenden op den grond en van derde belanghebbenden, elk voor zooveel hem aangaat, niet uit tot gronden, gelegen binnen den afstand van 50 meter van woonhuizen, fabrieken en andere gebouwen.
Artikel 178
Artikel 179
Artikel 180
2. Indien de beschikking over den grond voor een langer tijdperk noodig is, of indien na verloop van den aanvankelijk voldoende geachten termijn van drie jaren nog verdere beschikking noodig blijkt en partijen zich over den afstand van den grond niet kunnen verstaan, wordt op verzoek der meest gereede partij overgegaan tot toepassing der bepalingen, regelende de onteigening ten algemeenen nutte. De onteigening van alle voor eene ontginning noodige eigendommen behoeft niet tegelijkertijd te worden gevraagd.
Artikel 181
2. Is voor de aanleg van wegen of van hulpwerken, overeenkomstig het eerste lid van art. 170 ten behoeve der ontginning de beschikking over niet tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorenden grond buiten het concessie-terrein noodig en blijkt het dat partijen zich over den afstand van dien grond niet kunnen verstaan, dan geldt te dien aanzien het tweede lid van het voorgaand artikel.
Artikel 182
Artikel 183
2. Wanneer opsporingen of ontginningen door de rijksoverheid worden bewerkstelligd, worden in de betrekkelijke artikelen van dit besluit met onderzoekings-en concessieterreinen gelijkgesteld de door de rijksoverheid respectievelijk voor zijn opsporingen of ontginningen gereserveerde terreinen.
Artikel 184
2. Het hierbedoelde voorrecht gaat boven pand en hypotheek.
Artikel 185
Afdeeling Tweede
Beschikking over den grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen.
Artikel 186
Artikel 187
2. Indien opsporingen van rijksoverheidswege worden ondernomen, treedt in de plaats van het in het eerste lid van dit artikel genoemde stuk, een afschrift van de beschikking:
a. waaruit blijkt dat de rijksoverheid zelf mijnbouwkundige opsporingen binnen zeker gebied wenscht te doen instellen;
b. houdende aanwijzing van den persoon of de autoriteit die door de rijksoverheid is gemachtigd om in zijn naam ter zake van de sub a bedoelde opsporingen het noodige, ook in rechten, te verrichten.
3. Wordt beschikking over den bovengrond verlangd door personen die krachtens art. 88 hunne werkzaamheden voortzetten op den voet van opsporingswerken nadat de tijd, waarvoor hunne vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen was verleend of verlengd, reeds is verstreken,dan zijn zij niettemin verplicht tot de vertooning, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, van de hun uitgereikte vergunningsbeschikking of een authentiek afschrift daarvan en wordt daaraan, ook in rechten, gelijke kracht toegekend als vóór het verstrijken van den vergunningstermijn.
Artikel 188
Artikel 189
Artikel 190
2. Omtrent de vordering tot machtiging om over den noodigen grond te mogen beschikken, benevens tot bepaling van het bedrag der zekerheidstelling wordt door den rechter eerst en vooraf bij afzonderlijk vonnis uitspraak gedaan. Wordt de machtiging verleend met bepaling van het bedrag der zekerheidstelling, dan wordt tegen dit incidenteel vonnis geen hoogere voorziening toegelaten.
3. Van de verleende machtiging om over den grond te beschikken kan onmiddellijk worden gebruik gemaakt nadat het door den rechter bepaald bedrag der zekerheidstelling ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal zijn gedeponeerd. Door den griffier wordt daarvan een akte opgemaakt, welke hij, die de rechtsvordering heeft ingesteld, aan de rechthebbende op den grond en (of) derde belanghebbenden doet beteekenen.
Artikel 191
Artikel 192
a. den naam en de woonplaats van den rechthebbende op den grond en (of) derden belanghebbende, tegen wien de eisch betreffende tijdelijke beschikking over den grond wordt ingesteld;
b. eene opgave van de grondstukken,waarover de houder der vergunning tijdelijk voor het doen van opsporingen wenscht te beschikken, en zulks wat betreft hun ligging, grootte en grenzen;
c. beschrijving van het werk waarvoor over de verlangde grondstukken beschikt zal worden;
d. den tijd gedurende welken vermoedelijk over den grond zal worden beschikt;
e. de som welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, hetzij die schadeloosstelling in jaarlijksche gedeelten dan wel in eens in haar geheel gekweten zal worden.
2. Bij de dagvaarding moeten worden overgelegd:
a. het bewijs dat de eischer vergunning heeft gekregen tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen voor een terrein waarbinnen de in de dagvaarding genoemde grondstukken gelegen zijn, dan wel de in het tweede en derde lid van art. 187 genoemde bescheiden;
b. eene situatieteekening van de grondstukken, waarover de eischer tijdelijk wenscht te beschikken, opgemaakt door den rooimeester, tenzij ten genoegen van den rechter wordt aangetoond dat eerstgenoemde in de onmogelijkheid heeft verkeerd den rooimeester met dezen arbeid te belasten;
c. eene project van het werk waarvoor over de verlangde grondstukken beschikt zal worden;
d. eene verklaring van den betrokken bewaarder der hypotheken, behelzende opgave wie blijkens de door dien bewaarder aangehouden register als rechthebbenden op de gronden, waarover de eischer tijdelijk wenscht te beschikken, behooren te worden aangemerkt en wie daarop andere zakelijke rechten dan dat van eigendom uitoefenen.
Artikel 193
2. Behoudens de gevallen waarin de rechter zich onbevoegd moet verklaren, de vordering om eenige andere reden behoort te worden ontzegd, de eischer met zijne vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel de nietigverklaring van de dagvaarding behoort te worden uitgesproken, mag de gevraagde machtiging om over de in de dagvaarding genoemde gronden te mogen beschikken, door den rechter slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd in de gevallen voorzien bij artt. 174 en 177, dan wel wanneer het recht om opsporingswerken te verrichten is vervallen.
3. Alle gronden van verdediging, zoo exceptieve als die welke de hoofdzaak betreffen, moeten op verbeurte van het recht om de overige in te brengen, tegelijkertijd worden voorgesteld.
Afdeeling Derde
Van het geding.
Artikel 194
2. Op denzelfden dag of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.
3. Partijen kunnen in dezelfde terechtzitting hare conclusiën bij pleidooien breeder ontwikkelen.
4. Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.
5. Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de andere niet, wordt met den verschijnende onmiddellijk voortgeprocedeerd en de uitspraak geschiedt tusschen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd en waartegen geen verzet wordt toegelaten.
6. Uiterlijk acht dagen na de terechtzitting doet de rechter uitspraak omtrent het krachtens het eerste lid van dit artikel gedaan verzoek en nopens de in art. 190 bedoelde machtiging om over den grond te mogen beschikken, zoomede nopens het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gedeponeerd alvorens tot beschikking over den grond mag worden overgegaan.
7. Na de bij incidenteel vonnis bepaalde zekerheid te hebben gesteld, kan de aanlegger onmiddellijk tot het doen van opsporingen op den in het vonnis omschreven grond overgaan in afwachting van de nader door den rechter bij eindvonnis te bepalen schadeloosstelling.
Artikel 195
Artikel 196
2. Het benoemt voorts een zijner leden om, vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek van den deskundige of de deskundigen tegenwoordig te zijn.
Artikel 197
2. Bij afwezigheid der gedaagden gaat het in het voorgaand lid bedoeld onderzoek toch door.
3. Het vonnis wordt, zoo spoedig mogelijk, door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.
4. De rechter-commissaris bepaalt, met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van het onderzoek der deskundigen. De griffier roept de deskundigen op.
Artikel 198
2. Zij kunnen op de gronden in art. 1932 van het Burgerlijk Wetboek BES vermeld, door partijen gewraakt worden.
3. De rechter-commissaris beslist over de redenen van wraking, die niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld; van zijne beslissing valt geen hooger beroep.
4. In de plaats der deskundigen die niet opgekomen zijn of weigeren aan hunne verplichtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen.
5. Indien tengevolge hiervan het onderzoek moet worden uitgesteld, bepaalt de rechter-commissaris daarvoor een anderen tijd,waarvan geen beteekening door partijen, doch alleen mededeeling door den griffier geschiedt aan de nieuw benoemde en nog niet verschenen deskundigen.
6. De rechter-commissaris brengt de bepalingen van de Onteigeningswet BES, voor zooveel noodig of wenschelijk onder de aandacht der in dit artikel bedoelde deskundigen, voor wie deze bepalingen evenwel slechts als richtsnoer zullen dienen.
Artikel 199
Artikel 200
2. Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door den rechter-commissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Artikel 201
Artikel 202
2. Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift om billijke redenen van de tegen hen uitgesproken veroordeeling vrijspreken.
Artikel 203
2. Hij neemt daarin de verklaringen op der personen bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend.
3. De deskundigen doen hun advies in het proces-verbaal opnemen of voegen het er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.
4. Ingeval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teekenen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
5. De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling der schadeloosstelling berust.
6. In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de nederlegging ter griffie in art. 204 voorgeschreven, zal plaats hebben.
Artikel 204
Artikel 205
2. Op dezelfde terechtzitting kunnen partijen hare conclusiën nader bij pleidooi doen ontwikkelen.
3. Indien de rechter in het bericht der deskundigen de vereischte inlichting niet vindt, kan hij ambtshalve andere deskundigen benoemen, welke aan de vroegeren zoodanige ophelderingen mogen vragen als zij oorbaar achten.
4. Wanneer hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid, doet hij uiterlijk acht dagen na de terechtzitting bedoeld in het tweede lid van dit artikel, uitspraak over de schadeloosstelling aan rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden uit te keeren.
Artikel 206
2. Daarbij wordt gelet op de vermindering van waarde, welke de grond geacht wordt te zullen hebben ondergaan op het oogenblik, dat de rechthebende of derde belanghebbende dien terugontvangt, met het oog op het gebruik dat van den grond door den rechthebbende wordt gemaakt.
3. De meerdere waarde die de grond, waarover wordt beschikt, in verband met de voor het verrichten der opsporingen op te richten werken geacht wordt te zullen verkrijgen, komt bij de bepaling der schadeloosstelling niet in aanmerking.
Artikel 207
Artikel 208
Artikel 209
Afdeeling Vierde
Van de gevolgen van het stellen van zekerheid en de tijdelijke beschikking over den grond ten behoeve van mijnbouwkundige opsporingen
Artikel 210
Artikel 211
2. Bij het verzoekschrift aan den president moet worden overgelegd afschriften van het vonnis waarbij de machtiging om tijdelijk over den grond te beschikken is verleend, en van de akte waaruit van de deponeering van de als zekerheid bepaalde som blijkt, zoomede het exploit van beteekening dier akte.
Artikel 212
2. De door den opspoorder op gronden behoorende tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangelegde wegen vervallen, nadat over die gronden ten behoeve van de opsporingen is beschikt, tenzij die wegen daarna moeten dienen voor eene op de opsporing gevolgde ontginning en behoudens de rechten van derden, aan de rijksoverheid, zonder dat eenige vergoeding verschuldigd is aan hem die over de gronden heeft beschikt. Hetzelfde geldt voor de op die gronden opgerichte gebouwen en getimmerten van den opspoorder, welke niet binnen een door Onze Minister bepaalden termijn zijn verwijderd of waarover binnen dien termijn niet op eene andere door dezen goedgekeurde wijze is beschikt.
3. Bij nalatigheid om aan de in het eerste lid van dit artikel omschreven verplichtingen te voldoen, zijn de rechthebbenden op den grond en (of) derde belanghebbenden elk voor zooveel zij daarbij belang hebben, bevoegd om zelf de in dit opzicht noodige maatregelen te treffen en zulks op kosten van hen die over de gronden ten behoeve van opsporingen hebben beschikt.
Afdeeling Vijfde
Beschikking over den gronden ten behoeve van ontginningen.
Artikel 213
a. dat wat daar ten aanzien van den houder der vergunning (opspoorder) en de opsporingen is voorgeschreven, hier op den concessionaris en ontginning toepasselijk is;
b. dat wat daar bepaald is nopens ontdekkers die hunne werkzaamheden voortzetten op den voet van opsporingswerken, hier komt te vervallen;
c. dat in dit geval in de plaats van het in het eerste lid van art. 187 genoemd stuk (vergunningsbeschikking of authentiek afschrift daarvan) treedt een authentiek afschrift der in art. 237 genoemde gerechtelijk akte van concessie of c.q. der gerechtelijke akte waaruit blijkt dat de concessie ten name van den concessionaris is overgeschreven;
d. dat wat daar is voorgeschreven met betrekking tot van rijksoverheidswege ondernomen opsporingen hier geldt voor ontginning van rijksoverheidswege;
e. dat het tweede lid sub a van art. 192 wordt gelezen: 1°. een authentiek afschrift der gerechtelijke akte van concessie of een authentiek afschrift der gerechtelijke akte waaruit blijkt; dat de concessie ten name van den eischer is overgeschreven;
2°. in geval van ontginning van een afschrift van de beschikking genoemd in het tweede lid van dit artikel.
1°. een authentiek afschrift der gerechtelijke akte van concessie of een authentiek afschrift der gerechtelijke akte waaruit blijkt; dat de concessie ten name van den eischer is overgeschreven;
2°. in geval van ontginning van een afschrift van de beschikking genoemd in het tweede lid van dit artikel.
2. Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, treedt in de plaats van het in het eerste lid van art. 187 genoemd stuk, een afschrift van de in art. 236 bedoelde beschikking:
a. waaruit dat de rijksoverheid binnen zeker gebied, waarin de benoodigde gronden zijn gelegen, zelve ontginning wenscht te ondernemen;
b. houdende aanwijzing van den persoon of de autoriteit, die door de rijksoverheid is gemachtigd om namens hem ter zake van de sub a bedoelde ontginning het noodige, ook in rechten, te verrichten.
Artikel 214
a. door hem wordt medegedeeld dat hij overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 180 toepassing wenscht van de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte ten opzichte van den in het rekest nauwkeurig aangeduiden grond;
b. door hem wordt verzocht dat Onze Minister de in art. 182 genoemde verklaring zal geven, dat de in het rekest aangeduide grond noodig is ten behoeve van de ontginning van den verzoeker.
2. Het in het eerste lid van dit artikel genoemd verzoekschrift moet vergezeld gaan van een authentiek afschrift van de gerechtelijke akte van concessie of van een authentiek afschrift der gerechtelijke akte, waaruit blijkt,dat de concessie ten name van den verzoeker is overgeschreven, en voorts van een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeningen van het aan te leggen werk, houdende tevens een duidelijke aanwijzing van de perceelen grond, welke de concessionaris wenscht te zien afgestaan met toepassing van de bepalingen regelende de onteigening ten algemeenen nutte en van de namen der rechthebbenden op ieder perceel.
3. Wanneer tot het maken van het in het tweede lid van dit artikel bedoeld plan, gravingen, opmetingen of het stellen van teekenen op of in iemands grond noodig geacht worden, moeten de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden dit toelaten, mits hun dit tweemaal vier en twintig uren te voren door Onze Minister schriftelijk is aangezegd.
4. De schade, door de in het derde lid van dit artikel bedoelde verrichtingen veroorzaakt, wordt behoudens het recht van den belanghebbende om zich tot den bevoegden rechter te wenden, voorlopig begroot en door den concessionaris vergoed.
Artikel 215
2. Het uitgewerkte plan en de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen worden ter inzage van belangstellenden gelegd, ter plaatse door Onze Minister te bepalen en bij de bekendmaking in de Staatscourant bekend gesteld.
Artikel 216
2. De bezwaarschriften worden ingediend bij Onze Minister.
Artikel 217
2. In de beschikking wordt ten behoeve van de ontginning noodige grond nauwkeurig aangewezen met aanduiding van de perceelen waaruit de grond bestaat, en de namen der rechthebbenden op ieder perceel.
3. De beschikking wordt, op kosten van den concessionaris, in de Staatscourant openbaar gemaakt.
4. Onze Minister geeft, met verwijzing naar datum en nummer van de Staatscourant, waarin de beschikking is openbaar gemaakt, aan de beschikking verdere bekendheid door schriftelijke kennisgeving aan de rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden.
Artikel 218
Artikel 219
Artikel 220
Artikel 221
2. Indien op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden door derden rechten worden uitgeoefend, bepaalt Onze Minister, nadat die derden ter zake zullen zijn geraadpleegd, bij het te verleenen verlof de som, welke door den concessionaris als schadeloosstelling aan die derden behoort te worden uitgekeerd dan wel waarvoor zekerheid zal moeten worden gesteld alvorens de concessionaris krachtens het verleend verlof over den grond zal mogen beschikken en de derden, die daarop rechten uitoefenen, zulks zullen moeten gedoogen.
3. Van de beschikking, waarbij het in dit artikel bedoeld verlof wordt verleend, wordt een afschrift uitgereikt aan hen, die op de door den concessionaris benoodigden grond rechten uitoefenen.
Artikel 222
2. De belanghebbende wendt zich tot den bevoegden rechter met het verzoek om de schadeloosstelling, die ter zake behoort te worden uitgekeerd, te bepalen. Het verzoekschrift moet door den verzoeker bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte aan de wederpartij worden beteekend; het exploit van beteekening moet bij het verzoekschrift worden overgelegd.
3. Op de bepaling van de schadeloosstelling zijn de bepalingen van de Onteigeningswet BES van overeenkomstige toepassing.
Artikel 223
2. Het in art. 22 bedoeld verlof om te beschikken over tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoorende gronden, waarop derden rechten uitoefenen, vervalt, wanneer niet binnen zes maanden na de dagteekening van de beschikking, waarbij het verlof door Onze Minister is verleend, de schadeloosstelling betaald of daarvoor zekerheid gesteld is.
3. De concessionaris is in het geval, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, gehouden tot vergoeding der schade welke derden die op den grond rechten uitoefenen, door de beschikking over den grond mochten hebben geleden.
4. Onder de in het derde lid van dit artikel genoemde schade zijn echter niet begrepen de kosten noodig om tot de bepaling van het bedrag der schadeloosstelling door den rechter te geraken, noch ook het verlies der voordeelen, die zij, door wie rechten op den grond worden uitgeoefend, uit de beschikking over den grond worden uitgeoefend, uit de beschikking over den grond zouden hebben getrokken.
5. Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den achtsten dag, nadat de schadeloosstelling door Onze Minister, dan wel, indien de beslissing van den rechter is ingeroepen, door dezen is bepaald.
Artikel 224
2. Bij het verzoekschrift aan den president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie moeten worden overgelegd afschriften van de in art. 221 bedoelde beschikking en van de akte waaruit blijkt, dat ingevolge het eerste lid van art. 223 zekerheid is gesteld.
Artikel 225
2. Wanneer onder den concessionaris beslag op de schadeloosstelling gelegd of wanneer rangregeling gevraagd mocht worden, doet hij terstond, zonder eenig aanbod, de gelden consigneeren en zich op de in art. 224 bepaalde wijze in het bezit van de gronden stellen.
Artikel 226
2. Alle verplichtingen, door de daartoe bevoegde macht op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden gelegd, en alle belastingen ter zake daarvan volgens algemene maatregelen van bestuur verschuldigd, gaan van den dag, waarop de concessionaris op de in art. 224 aangegeven wijze in het bezit van die gronden is gesteld of anders waarop het in art. 221 bedoeld verlof door Onze Minister is verleend, op den concessionairs over.
Artikel 227
Artikel 228
Artikel 229
Artikel 230
2. De persoon of autoriteit, die overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 213 en art. 236 is aangewezen om ter zake namens de rijksoverheid op te treden, wendt zich, indien zij, die op benoodigde gronden rechten uitoefenen, weigeren om met de in het eerste lid van dit artikel bedoelde schadeloosstelling genoegen te nemen, onder overlegging van afschriften van de in het tweede lid van art. 213 en het eerste lid van dit artikel bedoelde beschikkingen tot den bevoegden rechter met verzoek de schadeloosstelling te bepalen, die ter zake aan de rechthebbenden zal behooren te worden uitgekeerd.
3. Op het tot den rechter te richten verzoek is toepasselijk het bepaalde bij het tweede, derde en vierde lid van art. 214, behoudens dat overlegging van de gerechtelijke akten betreffende de concessie vervalt.
4. De vaststelling van de uit te keeren schadeloosstelling door den rechter geschiedt volgens de voorschriften van het derde lid van art. 222.
5. In afwachting van de beslissing van den rechter nopens de te betalen schadeloosstelling mag over de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gronden onmiddellijk worden beschikt nadat door de rijksoverheid de aangeboden som ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal zijn gedeponeerd.
6. Het in het eerste lid van dit artikel bedoeld verlof vervalt, wanneer niet binnen zes maanden na de dagteekening van de beschikking waarbij het verlof is verleend, de schadeloosstelling betaald of overeenkomstig het bepaalde bij het vijfde lid van dit artikel gedeponeerd is.
7. De voorschriften van het derde, vierde en vijfde lid van art. 223 en de artt. 225, 226 en 227 zijn ten deze toepasselijk met dien verstande dat wat daar ten aanzien van den concessionaris is voorgeschreven hier geldt voor de rijksoverheid.
Artikel 231
2. Bij het daartoe strekkend verzoekschrift van den persoon of de autoriteit, genoemd in het tweede lid van art. 213 moeten worden overgelegd afschriften van het in het eerste lid van art. 230 bedoelde beschikking en van de akte waaruit blijkt dat de aangeboden som ter griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is gedeponeerd.
Artikel 232
2. Indien eene ontginning van rijksoverheidswege wordt ondernomen, geldt het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel in verband met art. 165 ook voor de rijksoverheid met dien verstande dat voor de rijksoverheid handelt en optreedt de in de beschikking, genoemd in het tweede lid van art. 213 en art. 236, aangewezen persoon of autoriteit en een afschrift van die beschikking in de plaats treedt van het afschrift of de afschriften der gerechtelijke akten van concessie.
Artikel 233
Artikel 234
Artikel 235
Artikel 236
2. De beschikking houdt tevens aanwijzing in van den persoon of de autoriteit, die wordt gemachtigd om voor de rijksoverheid ter zake van de voorgenomen ontginning het noodige, ook in rechten, te verrichten.
3. De beschikking wordt openbaar gemaakt in de Staatscourant.
Titel III
Voorschriften ter uitvoering van art. 3, tweede lid der Mijnwet BES
hoofdstuk Eenig
In- en overschrijving van concessiën.
Artikel 237
2. De openbaarmaking geschiedt op verzoek van den concessionaris en zonder medewerking of vertegenwoordiging van de rijksoverheid door den daartoe bevoegden ambtenaar binnen wiens ressort het concessie-terrein is gelegen.
3. In de gerechtelijke akte van concessie waarbij de openbaarmaking geschiedt, moet de concessie-beschikking volledig worden opgenomen.
4. Eerst na de openbaarmaking van den titel van aankomst (inschrijving der concessie) bestaat het op grond van de concessie verworven recht tegenover derden. Eerst dan kan dat recht worden vervreemd en met hypotheek belast en door den concessionaris als zoodanig worden opgetreden tegenover rechthebbenden op den grond en derde belanghebbenden.
5. In de beschikking waarbij een concessie wordt verleend, wordt de concessionaris verwezen naar de bepalingen van dit artikel.
Artikel 238
2. Hetzelfde geldt bij vervreemding van de concessie, ook waanneer vóór de inwerkingtreding der Mijnwet BES verleende concessiën worden vervreemd.
3. De aantooning, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, wordt geleverd òf door de overlegging van de mededeeling aan belanghebbenden gedaan ingevolge art. 26 òf door de overlegging van de ingevolge art. 20 van dit besluit in verband met het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES verleende goedkeuring of, zoo er een geschil is geweest nopens het voldoen aan de vereischten, door de overlegging van een authentiek afschrift der beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie waarbij is beslist dat de belanghebbende aan die vereischten voldoet.
4. In de gerechtelijke akte moet uitdrukkelijk worden vermeld, dat de betrokkene heeft aangetoond aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten te voldoen.
Artikel 239
2. In de bewijzen van overgang moet de concessie-beschikking volledig worden opgenomen.
3. Overschrijving van eene concessie op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder of op andere personen of vennootschappen heeft niet plaats tenzij die rechtverkrijgenden en verkrijgers hebben voldaan aan het bepaalde bij het vorige artikel en door aanbieding der quitantiën is aangetoond of op andere wijze blijkt, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.
4. Akten in strijd met het bepaalde bij dit artikel verleden, zijn nietig.
Artikel 240
2. Van de splitsing van een concessie-terrein, verwisseling van gedeelten van concessie-terreinen, vereeniging van concessie-terreinen en gedeeltelijke intrekking van een concessie zal door den betrokken ambtenaar aanteekening moeten worden gehouden op de minuut en gros van de oorspronkelijke gerechtelijke concessie-akte, zoomede, indien het op grond van de concessie verworven recht met hypotheek is belast, op de minuut van den schuldbrief, in het protocol en op de gros.
3. Gelijke aanteekening zal door den betrokken ambtenaar moeten worden gehouden van elke wijziging van de grensomschrijving en oppervlakte van het concessie-terrein als bedoeld in art. 98 en van elke wijziging of uitbreiding van de concessie-voorwaarden als bedoeld in art. 144. De concessionarissen en hypotheekhouders zullen den betrokken ambtenaar daartoe door vertooning van de grossen der gerechtelijke concessie-akten en schuldbrieven in staat moeten stellen.
Artikel 241
Artikel 242
Titel IV
Voorschriften ter uitvoering van art. 5, vierde lid, der Mijnwet BES.
hoofdstuk Eenig
Over de geschillen nopens het voldoen aan de vereischte gesteld in art. 5 der Mijnwet BES.
Artikel 243
2. Het verzoekschrift kan ook worden ingediend door een daartoe bij authentieke akte aangewezen bijzonderen gemachtigde.
Artikel 244
2. De griffier teekent op het verzoekschrift den datum van indiening aan en geeft kosteloos een gedagteekend bewijs van ontvangst daarvoor af.
Artikel 245
Artikel 246
Artikel 247
Artikel 248
2. De verzoeker kan tot het Hof het verzoek richten om in persoon of bij een door hem aangestelden bijzonderen gemachtigde over de zaak te worden gehoord; hij is bevoegd bij zijn verzoek op te geven over welke punten hij wenscht dat het verhoor zal loopen.
3. Het Hof is ook ambtshalve bevoegd den verzoeker of den door dezen aangestelden bijzonderen gemachtigde over de zaak te hooren.
4. De oproeping van den verzoeker of diens gemachtigde geschiedt bij aangeteekenden dienstbrief van den griffier van het Hof. Wanneer het Hof ambtshalve besluit den verzoeker of diens gemachtigde te hooren, wordt bij de oproeping medegedeeld over welke punten het Hof den verzoeker of diens gemachtigde wenscht te hooren.
5. Zoowel wanneer ingevolge een verzoek als bedoeld in het tweede lid van dit artikel de verzoeker of diens gemachtigde door het Hof moet worden gehoord en de verzoeker de punten heeft opgegeven waarover hij wenscht dat het verhoor zal loopen, als wanneer het Hof ambtshalve besluit den verzoeker of diens gemachtigde te hooren, wordt daarvan door den griffier ten spoedigste aan Onze Minister kennis gegeven, onder opgave van dag en uur, waarop het verhoor is bepaald, en hetzij door den verzoeker opgegeven punten hetzij van die, waarover het Hof den verzoeker of diens gemachtigde wenscht te hooren, zijnde het Hof niettemin in beide gevallen bevoegd het verhoor ook te doen loopen over andere punten dan genoemd in de kennisgeving aan Onze Minister en in de oproeping bedoeld in het vierde lid van dit artikel. Zoo noodig kan het Hof het verhoor voortzetten op een nader te bepalen dag en uur, in welk geval geen nieuwe oproeping van den verzoeker of diens gemachtigde en, tenzij Onze Minister aanvankelijk niet bij het verhoor was vertegenwoordigd, ook geen nieuwe kennisgeving aan Onze Minister worden vereischt.
6. De verzoeker of diens gemachtigde is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan.
7. Onze Minister is bevoegd zich bij het verhoor te doen vertegenwoordigen.
8. De verzoeker mag in den loop van het onderzoek nieuwe stukken overleggen.
9. Ook Onze Minister is bevoegd in den loop van het onderzoek stukken te doen overleggen en aan het Hof inlichtingen te doen verstrekken.
Artikel 249
Artikel 250
2. Indien het Hof beslist, dat de verzoeker aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, zendt de griffier hem daarvan binnen veertien dagen bericht bij aangeteekenden dienstbrief en worden hetzij de in artt. 16 en 17 bedoelde beschikkingen hetzij de in art. 27 bedoelde beschikking van Onze Minister zoo noodig ingetrokken.
Tevens worden hetzij de aangevraagde vergunning of concessie hetzij de verzochte toestemming tot overdracht van eene vergunning hetzij de gevraagde goedkeuring van de overdracht van het recht op concessie of van eene concessie verleend, tenzij inmiddels tegen het verleenen andere bezwaren mochten zijn gerezen.
3. De verzoeker kan tegen vergoeding der kosten van de beslissing van het Hof afschrift nemen.
Artikel 251
2. In elk geval wordt de eindbeslissing van het Hof ten spoedigste vanwege Onze Minister in de Staatscourant bij uittreksel aangekondigd.
Artikel 252
2. De houder der vergunning zal echter van de in het eerste lid van art. 16 en het eerste lid van art. 17 bedoelde beteekening af niet bevoegd zijn de vergunning over te dragen.
Dit verbod houdt op, wanneer op een door den houder der vergunning ingediend verzoekschrift door het Hof is beslist, dat hij aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet.
Artikel 253
2. De houder van het recht op concessie of de concessionaris zal echter van eerstbedoelde beteekening af niet bevoegd zijn het recht op concessie over te dragen of het op grond van de concessie verworven recht te vervreemden of met hypotheek te belasten. Dit verbod houdt op, wanneer op een door den houder van het recht op concessie of door den concessionaris ingediend verzoekschrift door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is beslist, dat hij aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet.
Titel V
Vervallenverklaring van rechten, intrekking van concessiën, en van rechtswege vervallen van het recht op concessie en van concessiën.
Artikel 254
Artikel 255
Artikel 256
2. Ingeval de concessie reeds in de openbare registers is ingeschreven, moet het verzoekschrift vergezeld gaan van eene verklaring van den betrokken hypotheekbewaarder, houdende opgave van de namen van hen, die blijkens de openbare registers bekend staan als houder der betrokken concessie en als hypothecaire schuldeischer of schuldeischers.
Artikel 257
Artikel 258
2. De beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, waarbij de openbare verkooping der concessie is bevolen, moet aan den concessionaris bij deurwaardersexploit worden beteekend. Het exploit van de verrichte beteekening geldt als executoriaal beslag.
3. De openbare verkooping der concessie geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES in het bijzonder die betreffende de gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen en andere daarmede verband houdende bepalingen van dat wetboek, voor zoover die bepalingen hier toepassing kunnen vinden en met dien verstande, dat in die bepalingen:
a. voor «de of den executant», «de of den beslaglegger» en «den arrestant» wordt gelezen : «hij of hem op wiens verzoek door den rechter de openbare verkooping der concessie is bevolen»;
b. voor «den persoon of de partij tegen wien of tegen welke het beslag gedaan is» en «de partij, welker goederen zijn in beslag genomen» wordt gelezen: «den concessionaris die intrekking zijner concessie heeft verzocht»;
c. voor «in beslag genomen goederen» wordt gelezen: «concessie met inbegrip van de mijnwerken en van hetgeen tot verzekering en bekleeding daarvan dient»;
d. voor «de geëxecuteerde» wordt gelezen: «de concessionaris wiens concessie verkocht is»;
e. voor ,«executie» wordt gelezen: «verkooping».
4. Indien geen verzoek tot openbare verkoop bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is ingediend, geeft de Griffier van dat college eene desbetreffende verklaring aan den concessionaris af, welke aan Onze Minister zal worden overgelegd, met de relazen, waaruit van eene behoorlijke beteekening van het verzoek aan de hypotheekhouders blijkt.
Artikel 259
2. Ingeval de indiening van de in het eerste lid van dit artikel genoemde verklaring en relazen niet binnen een jaar na de dagteekening van het verzoek om intrekking der concessie heeft plaats gehad, wordt dat verzoek als vervallen beschouwd.
3. Van de beschikking, waarbij de concessie op verzoek wordt ingetrokken, wordt ten spoedigste een afschrift toegezonden aan den betrokken hypotheekbewaarder.
4. De bewaarder houdt vervolgens aanteekening daarvan in het dagregister en terzijde van de overschrijving van de akte van concessie en zoo de concessie met hypotheek is belast, ook terzijde van de inschrijving van het borderel betreffende de vestiging der bedoelde hypotheek.
5. De beschikking wordt van wege Onze Minister in de Staatscourant, volledig openbaar gemaakt.
6. De concessionaris, wiens concessie op eigen verzoek is ingetrokken, moet de ontginning onmiddellijk staken of doen staken. Wordt in strijd hiermede gehandeld, dan is de politie bevoegd de voortzetting der werkzaam- heden of der ontginning te beletten.
Artikel 260
Artikel 261
2. Op de zelfde wijze wordt gehandeld wanneer het recht op concessie of de concessie, ingevolge art 6 sub b der Mijnwet BES, van rechtswege is vervallen ten aanzien van die rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie of van een overleden concessionaris, die naar het oordeel van Onze Minister – en, ingeval van geschil, volgens de beslissing van het Hof – niet binnen den in art. 5 der Mijnwet BES genoemden termijn aan de in dat artikel gestelde vereischten hebben voldaan.
3. De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde beschikking wordt ten spoedigste door Onze Minister aan den belanghebbende bij eene bij deurwaardersexploit beteekende akte medegedeeld.
4. De beschikking wordt in de Staatscourant en in de Staatscourant, bij uittreksel aangekondigd.
Artikel 262
2. Het zelfde geldt voor rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie of van een overleden concessionaris, te wier aanzien het recht op concessie of de concessie ingevolge art. 6 sub b der Mijnwet BES van rechtswege is vervallen.
3. De politie is bevoegd de voortzetting der werkzaamheden of der ontginning in strijd met het bepaalde bij dit artikel, te beletten.
Artikel 263
2. Tot het stellen van bovenbedoelde aanteekeningen zal door Onze Minister aan den in het eerste lid van dit artikel bedoelden bewaarder een afschrift van de in artikel 261 bedoelde beschikking worden toegezonden.
Slotbepalingen.
Artikel 264
Artikel 265
Artikel 266
2. Is het bestuur dier naamlooze vennootschap opgedragen aan eene andere naamlooze vennootschap, dan is het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel van toepassing op de bestuurders der besturende naamlooze vennootschap.
Artikel 267
2. Wanneer de gerechtelijke beteekening is geschied aan het gekozen domicilie, wordt daarvan door den Procureurgeneraal bij aangeteekenden dienstbrief kennis gegeven aan den belanghebbende, indien zijn woonplaats of verblijf bekend is. De kennisgeving geschiedt ten koste van den belanghebbende.
Artikel 268
2. De Mijnwet BES en dit besluit treden in werking drie maanden na den dag der uitgifte van het Publicatieblad, waarin dit besluit geplaatst is.