BWBR0028574
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 253
Mijnbesluit BES
1. Van de beteekening bedoeld in art. 27 tot het verstrijken van den termijn aangegeven in art. 243 of, ingeval een verzoekschrift, als in laatstgenoemd artikel bedoeld, is ingediend, tot de beslissing van het Hof aan den houder van het recht op concessie of aan den concessionaris zal zijn medegedeeld, of beteekend, mogen de in art. 88 bedoelde werkzaamheden of de ontginning worden voortgezet.
2. De houder van het recht op concessie of de concessionaris zal echter van eerstbedoelde beteekening af niet bevoegd zijn het recht op concessie over te dragen of het op grond van de concessie verworven recht te vervreemden of met hypotheek te belasten. Dit verbod houdt op, wanneer op een door den houder van het recht op concessie of door den concessionaris ingediend verzoekschrift door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is beslist, dat hij aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet.
2. De houder van het recht op concessie of de concessionaris zal echter van eerstbedoelde beteekening af niet bevoegd zijn het recht op concessie over te dragen of het op grond van de concessie verworven recht te vervreemden of met hypotheek te belasten. Dit verbod houdt op, wanneer op een door den houder van het recht op concessie of door den concessionaris ingediend verzoekschrift door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is beslist, dat hij aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet.
- Wet
- Mijnbesluit BES
- Citeren als
- Art. 253
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028574
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl