BWBR0020414
Geldig vanaf 2015-11-26
Artikel 29.01
Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft
1. Het depositogarantiestelsel garandeert deposito’s aangehouden bij:
a. banken met een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, met uitzondering van deposito’s die worden aangehouden bij een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is;
b. banken als bedoeld in artikel 3:266, eerste lid, onderdeel b, van de wet, voor zover het deposito’s betreft die worden aangehouden bij een in Nederland gelegen bijkantoor;
c. banken als bedoeld in artikel 3:267, tweede lid, van de wet, voor zover het deposito’s betreft die worden aangehouden bij een in Nederland gelegen bijkantoor.
2. Het depositogarantiestelsel is niet van toepassing op:
a. deposito’s van: 1°. banken, voor zover het deposito’s betreft die door een bank in eigen naam en voor eigen rekening worden aangehouden;
2°. financiële instellingen;
3°. beleggingsondernemingen;
4°. depositohouders die zich niet hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
5°. verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 13, onderdelen 1 tot en met 6, van de richtlijn solvabiliteit II;
6°. beleggingsinstellingen, beheerders van beleggingsinstellingen, icbe’s en beheerders van icbe’s;
7°. pensioenfondsen;
8°. overheden;
1°. banken, voor zover het deposito’s betreft die door een bank in eigen naam en voor eigen rekening worden aangehouden;
2°. financiële instellingen;
3°. beleggingsondernemingen;
4°. depositohouders die zich niet hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
5°. verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 13, onderdelen 1 tot en met 6, van de richtlijn solvabiliteit II;
6°. beleggingsinstellingen, beheerders van beleggingsinstellingen, icbe’s en beheerders van icbe’s;
7°. pensioenfondsen;
8°. overheden;
b. instrumenten die vallen onder de definitie van eigen vermogen in de zin van de verordening kapitaalvereisten;
c. door een bank uitgegeven schuldbewijzen en schulden die voortvloeien uit eigen accepten en promessen;
d. deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken vanwege het witwassen van geld;
e. bankspaardeposito’s eigen woning, voor zover deze ingevolge artikel 3:265d van de wet worden verrekend met een verbonden eigenwoningschuld.
a. banken met een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, met uitzondering van deposito’s die worden aangehouden bij een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is;
b. banken als bedoeld in artikel 3:266, eerste lid, onderdeel b, van de wet, voor zover het deposito’s betreft die worden aangehouden bij een in Nederland gelegen bijkantoor;
c. banken als bedoeld in artikel 3:267, tweede lid, van de wet, voor zover het deposito’s betreft die worden aangehouden bij een in Nederland gelegen bijkantoor.
2. Het depositogarantiestelsel is niet van toepassing op:
a. deposito’s van: 1°. banken, voor zover het deposito’s betreft die door een bank in eigen naam en voor eigen rekening worden aangehouden;
2°. financiële instellingen;
3°. beleggingsondernemingen;
4°. depositohouders die zich niet hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
5°. verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 13, onderdelen 1 tot en met 6, van de richtlijn solvabiliteit II;
6°. beleggingsinstellingen, beheerders van beleggingsinstellingen, icbe’s en beheerders van icbe’s;
7°. pensioenfondsen;
8°. overheden;
1°. banken, voor zover het deposito’s betreft die door een bank in eigen naam en voor eigen rekening worden aangehouden;
2°. financiële instellingen;
3°. beleggingsondernemingen;
4°. depositohouders die zich niet hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;
5°. verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 13, onderdelen 1 tot en met 6, van de richtlijn solvabiliteit II;
6°. beleggingsinstellingen, beheerders van beleggingsinstellingen, icbe’s en beheerders van icbe’s;
7°. pensioenfondsen;
8°. overheden;
b. instrumenten die vallen onder de definitie van eigen vermogen in de zin van de verordening kapitaalvereisten;
c. door een bank uitgegeven schuldbewijzen en schulden die voortvloeien uit eigen accepten en promessen;
d. deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken vanwege het witwassen van geld;
e. bankspaardeposito’s eigen woning, voor zover deze ingevolge artikel 3:265d van de wet worden verrekend met een verbonden eigenwoningschuld.