BWBR0020414
Geldig vanaf 2015-11-26
Artikel 29.05
Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft
1. De vergoedingen uit hoofde van het depositogarantiestelsel die de Nederlandsche Bank op grond van <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:261" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:261, eerste lid, van de wet</a>toekent, worden toegekend ten laste van het Depositogarantiefonds.
2. Het Depositogarantiefonds maakt de ingevolge het eerste lid toegekende vergoedingen onverwijld beschikbaar voor uitkering.
3. Behoudens de in het vierde en vijfde lid genoemde gevallen, wordt een vergoeding toegekend en beschikbaar gemaakt voor uitkering binnen de volgende termijn te rekenen vanaf de datum van de beslissing van de Nederlandsche Bank of van de gerechtelijke uitspraak, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:260" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:260, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet</a>:
a. tot en met 31 december 2018: binnen twintig werkdagen;
b. vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020: binnen vijftien werkdagen;
c. vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023: binnen tien werkdagen;
d. vanaf 1 januari 2024: binnen zeven werkdagen.
4. In afwijking van het derde lid geldt voor het toekennen en beschikbaar maken voor uitkering van een vergoeding aan een derde als bedoeld in artikel 29.02, derde lid, een termijn van drie maanden na de datum van de beslissing van de Nederlandsche Bank of van de gerechtelijke uitspraak, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:260" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:260, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet</a>.
5. Het toekennen van een vergoeding kan worden uitgesteld in de gevallen, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
2. Het Depositogarantiefonds maakt de ingevolge het eerste lid toegekende vergoedingen onverwijld beschikbaar voor uitkering.
3. Behoudens de in het vierde en vijfde lid genoemde gevallen, wordt een vergoeding toegekend en beschikbaar gemaakt voor uitkering binnen de volgende termijn te rekenen vanaf de datum van de beslissing van de Nederlandsche Bank of van de gerechtelijke uitspraak, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:260" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:260, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet</a>:
a. tot en met 31 december 2018: binnen twintig werkdagen;
b. vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020: binnen vijftien werkdagen;
c. vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023: binnen tien werkdagen;
d. vanaf 1 januari 2024: binnen zeven werkdagen.
4. In afwijking van het derde lid geldt voor het toekennen en beschikbaar maken voor uitkering van een vergoeding aan een derde als bedoeld in artikel 29.02, derde lid, een termijn van drie maanden na de datum van de beslissing van de Nederlandsche Bank of van de gerechtelijke uitspraak, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:260" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:260, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet</a>.
5. Het toekennen van een vergoeding kan worden uitgesteld in de gevallen, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels.