BWBR0014468
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 8.1.1
Mijnbouwregeling
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. put: boorgat dat na aanleg, inrichting en afwerking in gebruik is genomen;
b. spuitend produceerbare put: een put waaruit door in de productieve laag of lagen heersende drukken zonder kunstmatige opvoermethoden kan worden geproduceerd;
c. niet-spuitend produceerbare put: een put waaruit slechts kan worden geproduceerd met gebruikmaking van kunstmatige opvoermethoden;
d. spuitkruis (x-mas tree): bovengrondse afwerking met afsluiters en zijuitlaten, al dan niet geïntegreerd, die wordt geïnstalleerd nadat het boorgat is aangelegd;
e. hoofdbedieningsverdeelwerk: samenstel van opslagvaten, voorraadtank, pompen en verdeel- en regelkleppen met inbegrip van de leidingen met behulp waarvan de boorgatbeveiliging wordt bediend;
f. bedieningspaneel: hulpmiddel voor het op afstand bedienen van het hoofdbedieningsverdeelwerk;
g. compressielichaamafsluiter: gereedschap waarin zich een elastisch lichaam bevindt, dat zodanig kan worden vervormd door uitzetting, dat het een boorgat kan afsluiten, ook waar boorgereedschap aanwezig is;
h. afgehangen verbuizing: een verbuizing die afhangt in een eerder aangebrachte verbuizing en niet doorloopt naar het aardoppervlak;
i. mechanische plug: een op afstand te bedienen constructie die in een boorgat wordt ingelaten tot op een vooraf bepaalde plaats en, na activering, het boorgat volledig en duurzaam afdicht;
j. drukhoudende serie der verbuizing: verbuizing bedoeld om ingesloten drukken uit het boorgat te beheersen;
k. zone met stromingspotentieel: serie gesteentelagen van waaruit een gas-of vloeistofstroom naar of van gesteentelagen buiten de zone of naar het oppervlak kan plaatsvinden;
l. afsluiting: een maatregel die voorkomt dat gassen of vloeistoffen uit een put kunnen stromen;
m. verwachte maximale druk onder een permanente afsluiting: de hoogste druk die redelijkerwijze verwacht kan worden na buitengebruikstelling van een put;
n. sluitlaag: gesteentelaag die een onderliggende zone met stromingspotentieel afsluit.
2. Voorts wordt in deze afdeling onder zeebodem mede begrepen: de bodem van oppervlaktewater.
a. put: boorgat dat na aanleg, inrichting en afwerking in gebruik is genomen;
b. spuitend produceerbare put: een put waaruit door in de productieve laag of lagen heersende drukken zonder kunstmatige opvoermethoden kan worden geproduceerd;
c. niet-spuitend produceerbare put: een put waaruit slechts kan worden geproduceerd met gebruikmaking van kunstmatige opvoermethoden;
d. spuitkruis (x-mas tree): bovengrondse afwerking met afsluiters en zijuitlaten, al dan niet geïntegreerd, die wordt geïnstalleerd nadat het boorgat is aangelegd;
e. hoofdbedieningsverdeelwerk: samenstel van opslagvaten, voorraadtank, pompen en verdeel- en regelkleppen met inbegrip van de leidingen met behulp waarvan de boorgatbeveiliging wordt bediend;
f. bedieningspaneel: hulpmiddel voor het op afstand bedienen van het hoofdbedieningsverdeelwerk;
g. compressielichaamafsluiter: gereedschap waarin zich een elastisch lichaam bevindt, dat zodanig kan worden vervormd door uitzetting, dat het een boorgat kan afsluiten, ook waar boorgereedschap aanwezig is;
h. afgehangen verbuizing: een verbuizing die afhangt in een eerder aangebrachte verbuizing en niet doorloopt naar het aardoppervlak;
i. mechanische plug: een op afstand te bedienen constructie die in een boorgat wordt ingelaten tot op een vooraf bepaalde plaats en, na activering, het boorgat volledig en duurzaam afdicht;
j. drukhoudende serie der verbuizing: verbuizing bedoeld om ingesloten drukken uit het boorgat te beheersen;
k. zone met stromingspotentieel: serie gesteentelagen van waaruit een gas-of vloeistofstroom naar of van gesteentelagen buiten de zone of naar het oppervlak kan plaatsvinden;
l. afsluiting: een maatregel die voorkomt dat gassen of vloeistoffen uit een put kunnen stromen;
m. verwachte maximale druk onder een permanente afsluiting: de hoogste druk die redelijkerwijze verwacht kan worden na buitengebruikstelling van een put;
n. sluitlaag: gesteentelaag die een onderliggende zone met stromingspotentieel afsluit.
2. Voorts wordt in deze afdeling onder zeebodem mede begrepen: de bodem van oppervlaktewater.