BWBR0014468
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 5.4
Mijnbouwregeling
1. Een boven het oppervlaktewater uitstekende mijnbouwinstallatie met een grootste horizontale afmeting van meer dan 15 meter is tevens voorzien van op de uiteinden van de installatie aangebrachte vaste witte lichten.
2. De lichten branden van zonsondergang tot zonsopkomst of wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt.
3. De lichten hebben elk een sterkte van ten minste 200 candelas.
4. De lichten zijn zodanig geplaatst dat de scheepvaart vanuit iedere aanloopkoers tenminste twee lichten kan waarnemen.
5. De verplichting voor het plaatsen van lichten als bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien de in artikel 5.3bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst.
6. In geval de mijnbouwinstallatie samengesteld is uit meerdere delen die ieder in het oppervlaktewater geplaatst zijn en fysiek met elkaar verbonden, zijn een of meerdere extra lichten geplaatst tussen de uiteinden van de mijnbouwinstallatie.
2. De lichten branden van zonsondergang tot zonsopkomst of wanneer tussen zonsopkomst en zonsondergang het zicht van de mijnbouwinstallatie minder dan 1500 m bedraagt.
3. De lichten hebben elk een sterkte van ten minste 200 candelas.
4. De lichten zijn zodanig geplaatst dat de scheepvaart vanuit iedere aanloopkoers tenminste twee lichten kan waarnemen.
5. De verplichting voor het plaatsen van lichten als bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien de in artikel 5.3bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst.
6. In geval de mijnbouwinstallatie samengesteld is uit meerdere delen die ieder in het oppervlaktewater geplaatst zijn en fysiek met elkaar verbonden, zijn een of meerdere extra lichten geplaatst tussen de uiteinden van de mijnbouwinstallatie.