BWBR0007258
Geldig vanaf 2004-11-22
Artikel 40
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995
1. Voor de in artikel 4a, vierde lid, van de wetbedoelde beoordeling van een werkzame stof is de kennisgever, bedoeld in artikel 4a, vierde lid, van de wet, een bedrag verschuldigd van € 116 848,40.
2. Het dossier over de werkzame stof dat de kennisgever ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde beoordeling indient, wordt eerst door het College in behandeling genomen nadat € 4 537,80 van het in het eerste lid bedoelde bedrag is ontvangen.
3. Het dossier, bedoeld in het tweede lid, wordt, nadat het in behandeling is genomen, eerst door het College beoordeeld nadat het resterende gedeelte van het in het eerste lid bedoelde bedrag is ontvangen.
4. Indien er sprake is van meerdere kennisgevers als bedoeld in artikel 4a, vierde lid, van de wetvindt na ommekomst van de in het derde lid bedoelde termijn van betaling, verrekening plaats van het op grond van het eerste lid verschuldigde verminderd met € 112 310,60.
5. Indien het college overeenkomstig artikel 4b van de wetbedragen heeft vastgesteld en bekendgemaakt met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, onderscheidenlijk vierde lid, treden die bedragen in de plaats van de in die leden bedoelde bedragen met ingang van het tijdstip waarop de overeenkomstig artikel 4 b van de wetvastgestelde bedragen ingevolge het betrokken besluit van het college van kracht zijn.
2. Het dossier over de werkzame stof dat de kennisgever ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde beoordeling indient, wordt eerst door het College in behandeling genomen nadat € 4 537,80 van het in het eerste lid bedoelde bedrag is ontvangen.
3. Het dossier, bedoeld in het tweede lid, wordt, nadat het in behandeling is genomen, eerst door het College beoordeeld nadat het resterende gedeelte van het in het eerste lid bedoelde bedrag is ontvangen.
4. Indien er sprake is van meerdere kennisgevers als bedoeld in artikel 4a, vierde lid, van de wetvindt na ommekomst van de in het derde lid bedoelde termijn van betaling, verrekening plaats van het op grond van het eerste lid verschuldigde verminderd met € 112 310,60.
5. Indien het college overeenkomstig artikel 4b van de wetbedragen heeft vastgesteld en bekendgemaakt met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, onderscheidenlijk vierde lid, treden die bedragen in de plaats van de in die leden bedoelde bedragen met ingang van het tijdstip waarop de overeenkomstig artikel 4 b van de wetvastgestelde bedragen ingevolge het betrokken besluit van het college van kracht zijn.