BWBR0007258
Geldig vanaf 2004-11-22
Artikel 27a
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995
1. Onverminderd de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparatenen de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, kan een aanvrager het college gemotiveerd meedelen welke informatie inzake biociden, die hij commercieel gevoelig acht en waarvan bekendmaking hem op industrieel of commercieel gebied zou kunnen schaden, hij voor iedereen behalve het college en de Europese Commissie geheim wenst te houden.
2. Op basis van door de aanvrager bij het college over te leggen bewijsstukken beslist het college welke informatie overeenkomstig het eerste lid als vertrouwelijk wordt beschouwd.
3. Nadat de toelating of de registratie van het biocide is verleend, wordt de volgende informatie in geen geval als vertrouwelijk beschouwd:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de naam en het adres van de fabrikant van het biocide;
c. de naam en het adres van de fabrikant van de werkzame stof;
d. de naam en het gehalte aan de werkzame stof(fen) in het biocide en de naam van het biocide;
e. de namen van andere stoffen die uit hoofde van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), als gevaarlijk worden beschouwd en een rol spelen bij de indeling van het biocide;
f. de fysische en chemische eigenschappen van de werkzame stof en het biocide;
g. de wijzen waarop de werkzame stof of het biocide onschadelijk kan worden gemaakt;
h. een beknopt overzicht van de resultaten van de krachtens artikel 19 vereiste proeven die ertoe strekken de werkzaamheid en de effecten van de stof of het biocide op mens, dier en milieu en, indien van toepassing, de resistentiebevorderende werking ervan vast te stellen;
i. de aanbevolen methoden en voorzorgsmaatregelen om de gevaren bij hantering, opslag, vervoer, gebruik, alsmede bij brand of andere mogelijke ongelukken te beperken;
j. de veiligheidsinformatiebladen;
k. de analysemethoden, bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdelen b en c, van de wet;
l. de methoden voor het verwijderen van het biocide en de verpakking daarvan;
m. de te volgen procedures en de te nemen maatregelen bij morsen of lekken;
n. te verlenen eerste hulp en medisch advies bij persoonlijke ongevallen.
4. De aanvrager, fabrikant of importeur van het biocide of van de werkzame stof die op een later tijdstip informatie vrijgeeft die voordien vertrouwelijk was, brengt het college daarvan binnen twee weken op de hoogte.
2. Op basis van door de aanvrager bij het college over te leggen bewijsstukken beslist het college welke informatie overeenkomstig het eerste lid als vertrouwelijk wordt beschouwd.
3. Nadat de toelating of de registratie van het biocide is verleend, wordt de volgende informatie in geen geval als vertrouwelijk beschouwd:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de naam en het adres van de fabrikant van het biocide;
c. de naam en het adres van de fabrikant van de werkzame stof;
d. de naam en het gehalte aan de werkzame stof(fen) in het biocide en de naam van het biocide;
e. de namen van andere stoffen die uit hoofde van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), als gevaarlijk worden beschouwd en een rol spelen bij de indeling van het biocide;
f. de fysische en chemische eigenschappen van de werkzame stof en het biocide;
g. de wijzen waarop de werkzame stof of het biocide onschadelijk kan worden gemaakt;
h. een beknopt overzicht van de resultaten van de krachtens artikel 19 vereiste proeven die ertoe strekken de werkzaamheid en de effecten van de stof of het biocide op mens, dier en milieu en, indien van toepassing, de resistentiebevorderende werking ervan vast te stellen;
i. de aanbevolen methoden en voorzorgsmaatregelen om de gevaren bij hantering, opslag, vervoer, gebruik, alsmede bij brand of andere mogelijke ongelukken te beperken;
j. de veiligheidsinformatiebladen;
k. de analysemethoden, bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdelen b en c, van de wet;
l. de methoden voor het verwijderen van het biocide en de verpakking daarvan;
m. de te volgen procedures en de te nemen maatregelen bij morsen of lekken;
n. te verlenen eerste hulp en medisch advies bij persoonlijke ongevallen.
4. De aanvrager, fabrikant of importeur van het biocide of van de werkzame stof die op een later tijdstip informatie vrijgeeft die voordien vertrouwelijk was, brengt het college daarvan binnen twee weken op de hoogte.