BWBR0007258
Geldig vanaf 2004-11-22
Artikel 22
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995
1. Bij een bij indiening van een aanvraag te overleggen resultaat van een onderzoek is een verklaring van het betrokken laboratorium aanwezig dat het onderzoek is verricht overeenkomstig de in artikel 1, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/10/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50) bedoelde goede laboratoriumpraktijken.
2. Het eerste lid is met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen van toepassing voor onderzoeken waarvoor dit in de in artikel 7, eerste lid, 15, eerste lid, en 16, eerste lid, bedoelde en op deze gewasbeschermingsmiddelen betrekking hebbende aanvraagformulieren is aangegeven.
3. Het eerste lid is met betrekking tot andere dan in het tweede lid bedoelde bestrijdingsmiddelen van toepassing op onderzoeken waarvoor dit in de op deze bestrijdingsmiddelen betrekking hebbende aanvraagformulieren is aangegeven en waarvoor opdracht tot uitvoering is verleend na 25 juli 1991.
4. Voor die gegevens waarvoor dit overeenkomstig bijlage II en III van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn in het betreffende aanvraagformulier is aangegeven dienen de aan deze gegevens ten grondslag liggende proeven en analyses te zijn verricht door een overeenkomstig artikel 29erkende onderzoeksinstantie.
5. De onderzoeken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, worden:
a. uitgevoerd volgens de methoden beschreven in bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
b. indien van toepassing, verricht overeenkomstig richtlijn nr. 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358) en richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (PbEG L 50).
6. Indien de methoden, bedoeld in het vijfde lid, ongeschikt zijn of niet worden beschreven in bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), worden, indien mogelijk, andere internationaal erkende en verantwoorde methoden toegepast.
7. Wanneer de onderzoeken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, zijn verricht voor 16 februari 1998 door middel van andere methoden dan die van bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), beslist het college per geval of die gegevens toereikend zijn, dan wel nieuwe onderzoeken moeten worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage V van die richtlijn, onder meer rekening houdend met de noodzaak proeven met gewervelde dieren tot een minimum te beperken.
2. Het eerste lid is met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen van toepassing voor onderzoeken waarvoor dit in de in artikel 7, eerste lid, 15, eerste lid, en 16, eerste lid, bedoelde en op deze gewasbeschermingsmiddelen betrekking hebbende aanvraagformulieren is aangegeven.
3. Het eerste lid is met betrekking tot andere dan in het tweede lid bedoelde bestrijdingsmiddelen van toepassing op onderzoeken waarvoor dit in de op deze bestrijdingsmiddelen betrekking hebbende aanvraagformulieren is aangegeven en waarvoor opdracht tot uitvoering is verleend na 25 juli 1991.
4. Voor die gegevens waarvoor dit overeenkomstig bijlage II en III van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn in het betreffende aanvraagformulier is aangegeven dienen de aan deze gegevens ten grondslag liggende proeven en analyses te zijn verricht door een overeenkomstig artikel 29erkende onderzoeksinstantie.
5. De onderzoeken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, worden:
a. uitgevoerd volgens de methoden beschreven in bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
b. indien van toepassing, verricht overeenkomstig richtlijn nr. 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358) en richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (PbEG L 50).
6. Indien de methoden, bedoeld in het vijfde lid, ongeschikt zijn of niet worden beschreven in bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), worden, indien mogelijk, andere internationaal erkende en verantwoorde methoden toegepast.
7. Wanneer de onderzoeken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, zijn verricht voor 16 februari 1998 door middel van andere methoden dan die van bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), beslist het college per geval of die gegevens toereikend zijn, dan wel nieuwe onderzoeken moeten worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage V van die richtlijn, onder meer rekening houdend met de noodzaak proeven met gewervelde dieren tot een minimum te beperken.