BWBR0007258
Geldig vanaf 2004-11-22
Artikel 12
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995
1. Indien de aanvrager na de daarvoor ingevolge artikel 10, eerste en tweede lid, gestelde termijn in gebreke blijft met betrekking tot het inzenden van gegevens of monsters kan de behandeling van de aanvraag worden geschorst.
2. Indien het college de gevraagde gegevens in het kader van een toelating niet binnen zesentwintig weken, onderscheidenlijk in het kader van een registratie niet binnen drie weken na de aanvang van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, neemt het college een besluit op grond van de beschikbare gegevens.
3. Indien het college de gevraagde monsters in het kader van een toelating niet binnen zesentwintig weken, onderscheidenlijk in het kader van een registratie niet binnen drie weken na de aanvang van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, wordt de behandeling van de aanvraag beëindigd.
4. Het college kan de behandeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 8, tweede lid, schorsen ten behoeve van de procedure, bedoeld in artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. De schorsing eindigt op het moment dat het college kennis heeft genomen van de constatering, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, dan wel op het moment dat het college kennis heeft genomen van het besluit dat in verband met door de Commissie van de Europese Gemeenschappen gevraagde aanvullende informatie overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn is genomen.
5. Het college kan de behandeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel schorsen ten behoeve van de aanpassing van door de Raad van de Europese Unie dan wel door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde maximum residugehalten.
2. Indien het college de gevraagde gegevens in het kader van een toelating niet binnen zesentwintig weken, onderscheidenlijk in het kader van een registratie niet binnen drie weken na de aanvang van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, neemt het college een besluit op grond van de beschikbare gegevens.
3. Indien het college de gevraagde monsters in het kader van een toelating niet binnen zesentwintig weken, onderscheidenlijk in het kader van een registratie niet binnen drie weken na de aanvang van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, wordt de behandeling van de aanvraag beëindigd.
4. Het college kan de behandeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 8, tweede lid, schorsen ten behoeve van de procedure, bedoeld in artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. De schorsing eindigt op het moment dat het college kennis heeft genomen van de constatering, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, dan wel op het moment dat het college kennis heeft genomen van het besluit dat in verband met door de Commissie van de Europese Gemeenschappen gevraagde aanvullende informatie overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn is genomen.
5. Het college kan de behandeling van een aanvraag tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel schorsen ten behoeve van de aanpassing van door de Raad van de Europese Unie dan wel door de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgestelde maximum residugehalten.