BWBR0007258
Geldig vanaf 2004-11-22
Artikel 16
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995
1. Een aanvraag door wetenschappelijke instanties, lichamen, organisaties en instellingen die werkzaamheden verrichten op het gebied van de landbouw dan wel van organisaties van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen tot uitbreiding van de doeleinden waarvoor een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt, wordt ingediend bij het college onder gebruikmaking van een daarvoor bestemd aldaar verkrijgbaar formulier.
2. Een aanvraag door toelating- of registratiehouders tot uitbreiding van de doeleinden waarvoor een bestrijdingsmiddel mag worden gebruikt, wordt ingediend bij het college onder gebruikmaking van een daarvoor bestemd aldaar verkrijgbaar formulier.
3. De artikelen 7 tot en met 10en 12 tot en met 14zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Uitbreiding van de doeleinden van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in het eerste lid kan worden toegestaan, voor zover:
a. het voorgenomen gebruik van geringe omvang is, en
b. voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende, en artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet, met dien verstande dat, voor zover het een gewasbeschermingsmiddel betreft als bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de wet: 1°. voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten vierde tot en met tiende, van de wet van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander gewasbeschermingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, met dien verstande dat de blootstellingsrisico's van de uitbreiding voor degene die het middel toepast of voor diegenen die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen, niet groter zijn dan de blootstellingsrisico's van het betrokken middel of het andere vorenbedoelde gewasbeschermingsmiddel, en
2°. de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel dan wel dat andere gewasbeschermingsmiddel, bedoeld onder ten eerste, laatstelijk is beoordeeld.
1°. voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten vierde tot en met tiende, van de wet van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander gewasbeschermingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, met dien verstande dat de blootstellingsrisico's van de uitbreiding voor degene die het middel toepast of voor diegenen die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen, niet groter zijn dan de blootstellingsrisico's van het betrokken middel of het andere vorenbedoelde gewasbeschermingsmiddel, en
2°. de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel dan wel dat andere gewasbeschermingsmiddel, bedoeld onder ten eerste, laatstelijk is beoordeeld.
5. Uitbreiding van de doeleinden van een bestrijdingsmiddel als bedoeld in het tweede lid kan worden toegestaan, voor zover:
a. het een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide betreft als bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de wet;
b. voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet, met dien verstande dat voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, ten tweede en ten vierde tot en met tiende, van de wet van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander bestrijdingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, met dien verstande dat de blootstellingsrisico's van de uitbreiding voor degene die het middel toepast of voor diegenen die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen, niet groter zijn dan de blootstellingsrisico's van het betrokken middel of het andere vorenbedoelde bestrijdingsmiddel, en
c. de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel dan wel dat andere bestrijdingsmiddel, bedoeld in onderdeel b, laatstelijk is beoordeeld.
2. Een aanvraag door toelating- of registratiehouders tot uitbreiding van de doeleinden waarvoor een bestrijdingsmiddel mag worden gebruikt, wordt ingediend bij het college onder gebruikmaking van een daarvoor bestemd aldaar verkrijgbaar formulier.
3. De artikelen 7 tot en met 10en 12 tot en met 14zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Uitbreiding van de doeleinden van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in het eerste lid kan worden toegestaan, voor zover:
a. het voorgenomen gebruik van geringe omvang is, en
b. voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende, en artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet, met dien verstande dat, voor zover het een gewasbeschermingsmiddel betreft als bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de wet: 1°. voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten vierde tot en met tiende, van de wet van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander gewasbeschermingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, met dien verstande dat de blootstellingsrisico's van de uitbreiding voor degene die het middel toepast of voor diegenen die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen, niet groter zijn dan de blootstellingsrisico's van het betrokken middel of het andere vorenbedoelde gewasbeschermingsmiddel, en
2°. de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel dan wel dat andere gewasbeschermingsmiddel, bedoeld onder ten eerste, laatstelijk is beoordeeld.
1°. voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten vierde tot en met tiende, van de wet van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander gewasbeschermingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, met dien verstande dat de blootstellingsrisico's van de uitbreiding voor degene die het middel toepast of voor diegenen die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen, niet groter zijn dan de blootstellingsrisico's van het betrokken middel of het andere vorenbedoelde gewasbeschermingsmiddel, en
2°. de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel dan wel dat andere gewasbeschermingsmiddel, bedoeld onder ten eerste, laatstelijk is beoordeeld.
5. Uitbreiding van de doeleinden van een bestrijdingsmiddel als bedoeld in het tweede lid kan worden toegestaan, voor zover:
a. het een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide betreft als bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de wet;
b. voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de wet, met dien verstande dat voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden de eisen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, ten tweede en ten vierde tot en met tiende, van de wet van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander bestrijdingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, met dien verstande dat de blootstellingsrisico's van de uitbreiding voor degene die het middel toepast of voor diegenen die na toepassing van het middel door het verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen, niet groter zijn dan de blootstellingsrisico's van het betrokken middel of het andere vorenbedoelde bestrijdingsmiddel, en
c. de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel dan wel dat andere bestrijdingsmiddel, bedoeld in onderdeel b, laatstelijk is beoordeeld.