BWBR0006624
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 13
Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994
Op een onderneming of instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die vanuit een vestiging buiten Nederland diensten wenst te verrichten of verricht naar Nederland en niet in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met de in artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993bedoelde vergunning, zijn de artikelen 111 tot en met 114 en 116 tot en met 119 van die wet niet van toepassing, indien de onderneming of instelling ten genoegen van de Pensioen- & Verzekeringskamer aantoont dat:
a. zij voldoet aan voorwaarden die overeenkomen met het bepaalde in artikel 2 of artikel 3;
b. indien de betrokken vestiging zich in een lid-staat bevindt, op deze vestiging toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate overeenkomt met het toezicht ingevolge dit besluit of, indien de betrokken vestiging zich buiten de Unie bevindt, zij in de staat van haar zetel bevoegd is tot uitoefening van het directe schadeverzekeringsbedrijf en dit bedrijf vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uitoefent.
a. zij voldoet aan voorwaarden die overeenkomen met het bepaalde in artikel 2 of artikel 3;
b. indien de betrokken vestiging zich in een lid-staat bevindt, op deze vestiging toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate overeenkomt met het toezicht ingevolge dit besluit of, indien de betrokken vestiging zich buiten de Unie bevindt, zij in de staat van haar zetel bevoegd is tot uitoefening van het directe schadeverzekeringsbedrijf en dit bedrijf vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uitoefent.