BWBR0006530
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 36b
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
1. De rechterlijk ambtenaar die in vaste dienst is benoemd kan ook op andere gronden dan die bedoeld in de artikelen 3, zesde lid, en 7, tweede lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 9 van het Besluit opleiding rechters en officieren van justitie, en de artikelen 19, 34b, 35a, 35b, 35e tot en met 36a, 36z, 36aaen 36abvan dit besluit, worden ontslagen. De rechterlijk ambtenaar in vaste dienst kan ook worden ontslagen indien hij op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoekenuit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.
2. In geval van ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt een voorziening getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering ten laste van het in artikel 4bedoelde gezag wordt verleend die naar het oordeel van het in artikel 35bedoelde gezag met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
3. De in het tweede lid bedoelde uitkering is ten minste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WWen het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Voor zover ten gunste van de rechterlijk ambtenaar niet anders wordt beslist, zijn op de uitkering voor het overige de WW en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de WWof het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering door het in artikel 4bedoelde gezag met die uitkering verminderd.
2. In geval van ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt een voorziening getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering ten laste van het in artikel 4bedoelde gezag wordt verleend die naar het oordeel van het in artikel 35bedoelde gezag met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
3. De in het tweede lid bedoelde uitkering is ten minste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WWen het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Voor zover ten gunste van de rechterlijk ambtenaar niet anders wordt beslist, zijn op de uitkering voor het overige de WW en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de WWof het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering door het in artikel 4bedoelde gezag met die uitkering verminderd.