BWBR0006530
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 2
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
1. Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° en als rechter in opleiding als bedoeld onder 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>, dient het afsluitend examen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, eerste lid, van de wet</a>, te voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.
2. Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen:
a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;
b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht;
c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;
d. staatsrecht;
e. belastingrecht.
3. Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld in het tweede lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden, genoemd in de onderdelen a tot en met c.
4. De eisen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan die beoogde datum een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de in het tweede lid genoemde rechtsgebieden.
2. Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen:
a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;
b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht;
c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;
d. staatsrecht;
e. belastingrecht.
3. Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld in het tweede lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden, genoemd in de onderdelen a tot en met c.
4. De eisen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan die beoogde datum een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de in het tweede lid genoemde rechtsgebieden.