BWBR0006530
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 22
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
1. De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 17, eerste tot en met vierde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 19 van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
2. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 19, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoeld artikel genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
3. De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste tot en met derde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar op grond van een aanvaarde andere betrekking van gelijke omvang aanspraak maakt op loon of bezoldiging;
b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd onderscheidenlijk, indien het een gewezen voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, 70 jaar heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.
4. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 18, vierde tot en met zesde lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in artikel 18, vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 19 van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
2. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 19, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoeld artikel genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
3. De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste tot en met derde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar op grond van een aanvaarde andere betrekking van gelijke omvang aanspraak maakt op loon of bezoldiging;
b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd onderscheidenlijk, indien het een gewezen voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, 70 jaar heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.
4. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 18, vierde tot en met zesde lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in artikel 18, vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.