Burgerlijk ambtenarenreglement defensie
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 2
2. De hoofdstukken 4en 5zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.
3. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:
a. hoofdstuk 2, paragraaf 4;
b. de hoofdstukken 4 en 5;
c. hoofdstuk 6, paragrafen 2 en 3;
d. de artikelen 63, 66, 67 en 69.
4. De hoofdstukken 4, 5en 6, alsmede de artikelen 70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 100, eerste lid, onderdelen b tot en met d en f tot en met k, tweede lid109 tot en met 111, 114, 121, eerste lid, onderdelen f en h en derde lid, 127en 127a, zijn niet van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn.
Artikel 3
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. hoofd defensieonderdeel 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra;
1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°. de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra;
c. de commandant: een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris;
d. passende functie: een functie bedoeld in artikel 105;
e. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd die voor de ambtenaar geldt op grond van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, tenzij in dit besluit anders wordt bepaald.
2. Tenzij anders is bepaald wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
3. Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 4
a. echtgenote of echtgenoot: 1°. de geregistreerde partner;
2°. degene die door de ambtenaar als partner is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de ambtenaar een bewijs van die aanmelding heeft overgelegd aan de minister;
1°. de geregistreerde partner;
2°. degene die door de ambtenaar als partner is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de ambtenaar een bewijs van die aanmelding heeft overgelegd aan de minister;
b. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partner als bedoeld onder a;
c. gezinslid: de partner als bedoeld onder a;
d. huwelijk: 1°. het geregistreerd partnerschap;
2°. de samenleving met de partner die door de ambtenaar als zodanig is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
1°. het geregistreerd partnerschap;
2°. de samenleving met de partner die door de ambtenaar als zodanig is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
2. De gelijkstellingen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, onder 2° en onderdeel d, onder 2°, eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De ambtenaar is verplicht die doorhaling aan Onze Minister te melden, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.
Hoofdstuk 2
Aanstelling
§ 1
De aanstelling
Artikel 5
Artikel 6
2. Aan een aanstelling in vaste dienst gaat in de regel vooraf een aanstelling in tijdelijke dienst.
3. Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet.
4. Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie als bedoeld in artikel 119, eerste lid, van personen die op het tijdstip waarop de voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens wordt bereikt, geen ononderbroken diensttijd van tenminste 5 jaren, doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.
5. Het in het vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing in geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in het vierde lid bedoeld.
Artikel 7
2. Zij kan plaatsvinden:
a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met nog één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;
b. voor de tijd van ten hoogste drie maanden, indien een verklaring als bedoeld in artikel 10, tweede lid, nog niet is afgegeven, met dien verstande dat aan de ambtenaar geen werkzaamheden mogen worden opgedragen die verband houden met de aspecten van de betreffende functie die hebben geleid tot de kwalificatie vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken;
c. van personen, die niet voldoen aan de voor een aanstelling in vaste dienst gestelde eisen;
d. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;
e. van personen, die belast zullen worden met werk van kennelijk tijdelijk karakter, al dan niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak;
f. voor het incidenteel verrichten van werkzaamheden, vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij telkenmale de commandant, gehoord de ambtenaar, vaststelt op welke tijdstippen daadwerkelijk door de ambtenaar dienst wordt verricht;
g. voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de normale taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld;
h. van personen, die in dienst worden genomen als leerling ter opleiding tot enig beroep dan wel in verband met hun verdere wetenschappelijke of praktische opleiding en vorming;
i. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen;
j. van onbezoldigde ambtenaren;
k. in de gevallen, waarin dit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald.
3. Zodra de omstandigheid, genoemd in het tweede lid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wordt een aanstelling in vaste dienst verleend tenzij daartegen uit anderen hoofde bedenkingen bestaan.
4. In de gevallen, genoemd onder d, een ivan het tweede lid, wordt in ieder geval aangenomen, dat de omstandigheid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds vijf jaar zonder onderbreking van langer dan 1 maand in dienst van het Ministerie van Defensie, waarvan laatstelijk gedurende tenminste 1 jaar in zijn huidige betrekking, werkzaam is geweest, tenzij vaststaat, dat zijn werkzaamheden in het door hem vervulde ambt binnen het jaar zullen worden beëindigd.
5. In afwijking van het tweede tot en met vierde lid kan een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor de duur van ten hoogste drie jaren plaatsvinden.
6. Op een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het vijfde lid kan een nieuwe aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het vijfde lid volgen.
7. De op grond van het vijfde lid aangestelde ambtenaar in tijdelijke dienst mag bij beëindiging van die aanstelling de leeftijd van 30 jaar niet hebben overschreden, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald.
8. Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt omgezet in een aanstelling in vaste dienst, indien:
a. meerdere aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen in een periode van drie jaren of langer en met tussenpozen van niet langer dan drie maanden;
b. meer dan drie aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar opvolgen met tussenpozen van niet langer dan drie maanden.
9. Voor het tellen van opeenvolgende aanstellingen worden aanstellingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2000 mede in aanmerking genomen, tenzij er sprake is van opeenvolgende aanstellingen ten behoeve van een project of indien in de diensteenheid, waarin de laatste aanstelling heeft plaatsgevonden, sprake is van overtolligheid.
10. De in het vijfde lid genoemde maximumduur van de aanstelling is niet van toepassing op de aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd van degene is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn.
Artikel 8
2. De aanstelling in de overige gevallen geschiedt door Onze Minister.
Artikel 8a
§ 2
Voorwaarden voor aanstelling
Artikel 9
2. Onze Minister stelt voor een functie of voor een groep van functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vast waaraan de betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.
3. Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt of bekwaam is, wordt deze door Onze Minister aan een onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene zijn verstrekt.
4. Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens:
a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van Onze Minister behoefte bestaat;
b. een medisch onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
5. Onze Minister stelt vast voor welke functies een medisch onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, noodzakelijk is.
Artikel 10
2. Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoekenis slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wetis afgegeven.
3. Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister dit noodzakelijk wordt geacht.
4. Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt pas ingesteld, als naar het oordeel van Onze Minister de betrokkene geschikt en bekwaam is voor de betreffende functie.
Artikel 11
2. Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan Onze Minister blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is belast.
3. De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat betrokkene daarvan heeft kennis genomen, medegedeeld aan Onze Minister, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip is geboden en de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft ingestemd.
4. Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.
5. De kosten van het psychologisch onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek en het nagesprek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding ingevolge de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 12
2. De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het medisch onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd medisch onderzoek aanvragen.
3. Het hernieuwd medisch onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het medisch onderzoek heeft verricht.
4. De betrokkene die op grond van artikel 9, vierde lid, onderdeel b, is onderworpen aan een medisch onderzoek, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid onderworpen indien de betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.
5. Het medisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van Onze Minister op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 9, derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie.
6. De kosten van het medisch onderzoek en het hernieuwd medisch onderzoek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek en het hernieuwd onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding ingevolge de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.
Artikel 13
§ 3
De akte van aanstelling en andere bescheiden
Artikel 14
a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;
b. de naam van de dienst, het bedrijf of de instelling van het Ministerie van Defensie;
c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld;
d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst;
e. de wekelijkse arbeidsduur waarvoor de ambtenaar wordt aangesteld.
2. Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld:
a. of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd - en zo ja voor hoelang of voor onbepaalde tijd;
b. de toepasselijke, in artikel 7, tweede lid, omschreven grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke dienst.
Artikel 15
a. de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking waarin, en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te werk gesteld, alsmede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats;
b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regelen;
c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal worden verhoogd;
d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing naar de desbetreffende kortingsregeling;
e. de omvang en de voorwaarden voor toekenning van een bindingspremie als bedoeld in artikel 47 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
Artikel 16
2. Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat redelijkerwijs nodig is.
3. De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het geval vermelde regelingen en instructies niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.
§ 4
Loopbaanvorming
Artikel 18
Hoofdstuk 3
Opleidingen en loopbaanvorming
§ 1
Opleidingen
Artikel 19
2. Het hoofd defensieonderdeel kent de ambtenaar een vergoeding toe voor de aan een om- of bijscholingsopleiding verbonden noodzakelijk te zijnen laste komende kosten.
3. De ambtenaar die is aangewezen voor het volgen van een om- of bijscholingsopleiding, kan daarvan door het hoofd defensieonderdeel worden ontheven indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de ambtenaar om andere redenen noodzakelijk is.
4. Artikel 22is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
2. De kosten verbonden aan de opleiding worden vergoed tot bij ministeriele regeling vast te stellen maximum bedragen. De kosten kunnen tot vijf jaar voor de pensioengerechtigde leeftijd worden vergoed met inachtneming van de hiervoor bedoelde maximumbedragen.
3. Indien bij een andere te vervullen functie blijkt dat de gevolgde opleiding onderdeel uitmaakt van de functie-eisen, wordt het bedrag van de daarvoor vergoede opleidingskosten weer toegevoegd aan de bedragen, bedoeld in het tweede lid.
4. Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de werktijd van de ambtenaar, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
5. Indien de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaats vindt op grond van artikel 113, vijfde lid, kan de opleiding na het ontslag worden afgerond met vergoeding van de daarmee samenhangende opleidingskosten met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde maximum bedragen.
6. De burgerlijk ambtenaar aan wie ingevolge artikel 113, eerste lid, ontslag wordt verleend en direct daarop volgend in dienst treedt als militair ambtenaar bij het ministerie van Defensie, behoudt de op dat moment beschikbare individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in het eerste lid. Deze resterende aanspraak wordt overgeheveld naar de individuele opleidingsaanspraak, bedoeld in artikel 16bis, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
7. De aanspraak bedoeld in het zesde lid bouwt verder door tot de maximum bedragen bedoeld in artikel 16bis, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, tenzij de aanspraak bij aanvang van de aanstelling als militair ambtenaar bij het ministerie van Defensie reeds meer is dan het maximum bedrag, bedoeld in artikel 16bis, tweede lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
8. Bij ministeriele regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van dit artikel.
Artikel 21
Artikel 22
§ 2
Loopbaanvorming
Artikel 23
Artikel 24
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ter uitvoering van het eerste lid worden gesteld.
Artikel 25
2. Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de ambtenaar en diens functionele chef.
3. Op verzoek van een van de deelnemers aan het functioneringsgesprek en met instemming van beide deelnemers kunnen een of meer andere personen aan het gesprek deelnemen.
4. Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende onderdelen:
a. het functioneren van de ambtenaar in de omgeving waarin hij zijn functie vervult, alsmede de functionele relatie tussen de ambtenaar en de functionele chef met betrekking tot de functie-uitoefening van de ambtenaar over de achterliggende periode. Hierbij komen in elk geval de volgende aspecten aan de orde: 1°. de verhouding tussen de getoonde kennis en de vaardigheden en de gestelde functie-eisen;
2° de vorderingen en de gedragingen;
3°. de toetsing of en in hoeverre is voldaan aan eerder gemaakte afspraken;
4°. integriteit.
1°. de verhouding tussen de getoonde kennis en de vaardigheden en de gestelde functie-eisen;
2° de vorderingen en de gedragingen;
3°. de toetsing of en in hoeverre is voldaan aan eerder gemaakte afspraken;
4°. integriteit.
b. afspraken en aandachtspunten met betrekking tot de toekomstige functievervulling;
c. de persoonlijke ontwikkeling in relatie tot de mogelijke loopbaanwensen van de ambtenaar en de algemene loopbaanpatronen;
d. indien de ambtenaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt: de relatie tussen leeftijd en belastbaarheid en functievervulling.
5. De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten in het functioneringsgesprekformulier vast. Het formulier wordt voor een correcte weergave daarvan door de functionele chef en de ambtenaar ondertekend. De functionele chef verstrekt de ambtenaar een afschrift van het functioneringsgesprekformulier. De afspraken en aandachtspunten worden opgelegd in het personeelsdossier van de betrokkene.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van functioneringsgesprekken en het functioneringsgesprekformulier, waarin ten minste de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn opgenomen.
Artikel 26
2. In het loopbaangesprek wordt ten minste aandacht besteed aan:
a. de ontwikkelpunten inzake kennis, ervaring en competenties, gericht op het vervolg van de loopbaan binnen of buiten het ministerie van Defensie;
b. de opleidingswensen van de ambtenaar;
c. de kansen en mogelijkheden ten aanzien van het vervolg van de loopbaan binnen of buiten het ministerie van Defensie.
3. Afspraken die in het loopbaangesprek worden gemaakt, zijn bindend en worden vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen persoonlijk ontwikkelplanformulier.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van loopbaangesprekken en het vaststellen van de afspraken in het persoonlijk ontwikkelplanformulier.
Artikel 27
2. Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
3. De ambtenaar wordt beoordeeld omtrent de wijze waarop hij zijn functie heeft vervuld en omtrent zijn gedrag in relatie tot die functie, gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling is gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen ambtenaar.
4. Bij het opmaken van een beoordeling kan een toekomstverwachting worden opgemaakt.
5. Het beoordelingstijdvak omvat een periode van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaren. Per kalenderjaar kan maximaal één beoordeling worden opgemaakt.
6. De beoordeling wordt opgemaakt door een eerste en in beginsel een tweede beoordelaar. Als eerste beoordelaar treedt op de functionele chef van de ambtenaar. De tweede beoordelaar is de commandant dan wel een door de commandant aangewezen functionaris. In geval de commandant is opgetreden als eerste beoordelaar, treedt in beginsel als tweede beoordelaar op de functionele chef van de commandant.
7. Gelet op de vereiste deskundigheid kan bij het uitbrengen van een beoordeling een personeelsbeoordelingsadviseur aan de beoordelaar worden toegevoegd.
8. Na het opmaken van de beoordeling van de ambtenaar:
a. wordt met de ambtenaar zijn beoordeling besproken;
b. krijgt de ambtenaar een afschrift van zijn beoordeling uitgereikt;
c. krijgt hij de gelegenheid zijn bedenkingen tegen de omtrent hem opgemaakte beoordeling binnen twee weken schriftelijk bij de tweede beoordelaar kenbaar te maken, tenzij er geen tweede beoordelaar is; indien er geen tweede beoordelaar is, worden de bedenkingen kenbaar gemaakt bij de eerste beoordelaar.
9. Nadat de beoordeling door de tweede beoordelaar is vastgesteld, wordt aan de ambtenaar een afschrift verstrekt. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing indien er sprake is van één beoordelaar.
10. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen alsmede het beoordelingsformulier volgens welke de ambtenaar wordt beoordeeld.
Artikel 28
Artikel 29
Hoofdstuk 4
Werk- en rusttijden
Paragraaf 1
Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden
Artikel 30a
a. dienst: een aaneengesloten tijdruimte waarin arbeid wordt verricht en die gelegen is tussen twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;
b. werktijd: het totaal van de in kloktijden aangegeven perioden gedurende welke een ambtenaar de hem opgedragen arbeid moet verrichten;
c. rooster: een voor een periode van tenminste een week opgesteld en van tevoren schriftelijk bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werk- en rusttijden;
d. arbeidsduur: de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week, gedurende welke een ambtenaar arbeid verricht;
e. nachtdienst: een dienst waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen;
f. jeugdige ambtenaar: een ambtenaar van 16 of 17 jaar;
g. pauze: een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten, waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de ambtenaar geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen arbeid;
h. consignatie: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de ambtenaar uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;
i. aanwezigheidsdienst: een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren, waarin de ambtenaar, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, consignatie wordt opgelegd waarbij de ambtenaar verplicht is op de werkplek aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;
j. piket: een periode waarin de ambtenaar, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, consignatie wordt opgelegd waarbij de ambtenaar verplicht is om in verband met zijn bereikbaarheid op de werkplek aanwezig te zijn;
k. oefening: elk door defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.
Artikel 30b
2. De arbeidsduur bedraagt gerekend over de periode waarvoor het rooster is vastgesteld ten hoogste gemiddeld 38 uren per week. In uitzonderlijke gevallen kan door Onze Minister van de eerste volzin worden afgeweken.
3. Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur.
4. Van het derde lid kan door de commandant voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken, indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd, dan wel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de arts van de bedrijfsgeneeskundige dienst daaromtrent een positief advies heeft uitgebracht.
5. Door Onze Minister kunnen functies worden aangewezen waarbij het reizen, naar en vanaf de plaats waar de ambtenaar dienst moet verrichten, een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de functie. Bij die functies wordt de reisduur buiten de voor de ambtenaar geldende werktijd als arbeidsduur aangemerkt.
Artikel 30ba
Artikel 30bb
2. De compensatie voor overwerk bestaat uit roostervrije uren, gelijk aan het aantal uren overschrijding van het per dag vastgestelde aantal arbeidsuren.
3. De commandant stelt de ambtenaar in de gelegenheid de compensatie op te nemen.
Artikel 30c
2. De arbeidsduur, bedoeld in artikel 30b, tweede lid, van de ambtenaar van 61 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt door de commandant, onder handhaving van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, teruggebracht met 36,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
3. De ingevolge het eerste en het tweede lid teruggebrachte arbeidsduur wordt afgerond naar boven indien de eerste decimaal achter de komma groter is dan nul.
4. De aanspraak op vakantie als bedoeld in artikel 32, vierde lid, wordt naar evenredigheid verminderd en de in artikel 32, vijfde lid, onder a, bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak komt te vervallen.
5. De in het eerste dan wel tweede lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de eerste aanvraag ten minste 5 aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het Ministerie van Defensie.
6. Voor de uren die het wekelijks verschil vormen tussen de in het eerste en tweede lid bedoelde arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld, en de teruggebrachte arbeidsduur wordt de ambtenaar geacht met verlof te zijn.
7. Op het salaris van de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast ter grootte van 5% respectievelijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder arbeidsduurvermindering op grond van dit artikel.
8. Onze Minister stelt omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar nadere regels vast.
9. Dit artikel is niet van toepassing op een ambtenaar die gebruik maakt van de mogelijkheid van ontslag als bedoeld in artikel 114, tweede lid.
Artikel 30d
2. Indien de aard van de arbeid toepassing van het eerste lid onmogelijk maakt, stelt de commandant ten minste 28 dagen van tevoren aan de ambtenaar bekend op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 30ren 31g, eerste lid, aanvangt. Tevens maakt hij aan de ambtenaar ten minste 4 dagen van tevoren de tijdstippen bekend waarop hij arbeid moet verrichten.
3. De commandant dient overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt af te wijken van het eerste of tweede lid.
Artikel 30da
2. De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In ieder geval wordt de aanvraag afgewezen indien de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur geen effect heeft op de formatie, onder door Onze Minister bij ministeriële regeling nader vast te stellen voorwaarden.
3. Een toegestane verlenging van de arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verlenging is toegestaan.
4. Een toegestane verlenging van de arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de ambtenaar een aanvraag indient om de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de ambtenaar een aanvraag indient als bedoeld in artikel 30db, eerste lid; of
c. de commandant de verlenging van de arbeidsduur beëindigt omdat hij van oordeel is dat het dienstbelang zich tegen een voortgezette verlenging daarvan verzet.
5. Indien de ambtenaar in een andere functie wordt tewerkgesteld vervalt met ingang van de datum van tewerkstelling de verlenging van de arbeidsduur. In dat geval kan de ambtenaar bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
6. Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verlengd ontvangt de ambtenaar een maandelijkse toeslag. Deze toeslag bedraagt acht maal het voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, of een evenredig deel daarvan voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 30db
2. De in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur wordt verwerkt in het voor de betrokken ambtenaar geldende rooster dan wel wordt toegekend in de vorm van acht spaaruren per maand wanneer het een ambtenaar betreft van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week en een evenredig deel daarvan wanneer het een ambtenaar betreft die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
3. De commandant wijst een aanvraag indien het gaat om een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid toe.
4. Een toegestane verkorting van de arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verkorting is toegestaan.
5. Een toegestane verkorting van de arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de ambtenaar een aanvraag indient om de tijdelijke verkorting van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de ambtenaar een aanvraag indient als bedoeld in artikel 30da, eerste lid.
6. Indien de ambtenaar in een andere functie wordt tewerkgesteld vervalt met ingang van de datum van tewerkstelling de verkorting van de arbeidsduur. In dat geval kan de ambtenaar bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
7. Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verkort, wordt maandelijks een inhouding toegepast. Deze inhouding bedraagt 2 maal het voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, of een evenredig deel daarvan voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
Artikel 30dc
2. Indien de ambtenaar op een andere functie wordt tewerkgesteld kan de commandant op aanvraag van de ambtenaar afwijken van het minimum aantal op te nemen spaaruren. Indien de ambtenaar op een andere functie wordt tewerkgesteld kan de commandant op aanvraag van de ambtenaar afwijken van het gestelde in het eerste lid dat de spaaruren in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren worden opgenomen. Indien met een dergelijke aanvraag wordt ingestemd, dan wordt het gehele tegoed aan spaaruren opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van tewerkstelling op de nieuwe functie.
3. Een aanvraag voor de opname van spaaruren wordt ten minste 6 maanden voorafgaande aan de gewenste datum van aanvang van de opnameperiode, ingediend bij de commandant.
4. De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het derde lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
5. De in een kalenderjaar opgebouwde spaaruren vervallen na een periode van 10 kalenderjaren, te rekenen vanaf de dag van aanvang van het daarop volgende kalenderjaar.
6. Indien vanwege dienstbelang dan wel persoonlijke omstandigheden de ambtenaar gedurende de periode van 10 jaar bedoeld in het vijfde lid niet in de gelegenheid is gesteld de spaaruren op te nemen, maakt de commandant in afwijking van het vijfde lid met de ambtenaar afspraken over de opname van de spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.
7. Ten aanzien van de opname van spaaruren zijn artikel 33, zevende lid, en artikel 91avan overeenkomstige toepassing.
Artikel 30dca
Artikel 30dd
2. Indien de ambtenaar overlijdt, wordt het eerste lid overeenkomstig toegepast.
Artikel 30e
2. De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden worden ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben, bewaard.
Artikel 30f
Artikel 30g
Artikel 30h
2. De commandant voldoet aan de voor hem uit het eerste lid voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Paragraaf 2
Toepassingsbereik
Artikel 30i
a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede ten aanzien van een onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de mededeling bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan;
b. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
c. in door Onze Minister te bepalen andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
d. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder a, b, en c.
2. Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 11, niet van toepassing op arbeid verricht:
a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;
b. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.
Artikel 30j
Artikel 30k
Artikel 30l
a. een salarisschaal geldt van schaal 11 of hoger, en die uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft;
b. een salarisschaal geldt van schaal 13 of hoger, tenzij hij arbeid pleegt te verrichten in nachtdienst dan wel arbeid verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
Artikel 30m
a. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde Naties;
b. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten;
c. buiten het Ministerie van Defensie, anders dan in de gevallen, bedoeld onder a en b.
Artikel 30n
Paragraaf 3
Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur
Artikel 30o
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar meer dan 9 uren per dienst of meer dan 45 uren per week arbeid verricht.
3. Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per dienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
4. De arbeidsduur van de jeugdige ambtenaar bedraagt ten hoogste 9 uren per dienst, ten hoogste 45 uren per week en in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
Artikel 30p
2. De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 12 uren per dienst, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week.
3. Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 31c, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
4. Indien als gevolg van de toepassing van het eerste lid arbeid wordt verricht in nachtdienst, welke arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur, dan zijn hierop de in paragraaf 5opgenomen bepalingen ten aanzien van het verrichten van arbeid in nachtdienst niet van toepassing.
Paragraaf 4
Dagelijkse en wekelijkse rusttijd
Artikel 30q
2. De jeugdige ambtenaar heeft in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, waarin de periode tussen hetzij 22.00 uur en 06.00 uur, hetzij 23.00 uur en 07.00 uur begrepen is.
3. De in de voorgaande leden bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 30r
2. De jeugdige ambtenaar heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.
3. De in de voorgaande leden bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Paragraaf 5
Aanvullende bepalingen bij nachtdienst
Artikel 30s
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar meer dan 8 uren per nachtdienst of meer dan 45 uren per week arbeid verricht.
3. Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 8 uren per nachtdienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
Artikel 30t
2. De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 10 uren per nachtdienst, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
3. Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 31c, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
Artikel 30u
2. De commandant dient over de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bekorting van de onafgebroken rusttijd tot ten minste 8 uren overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3. De in het eerste lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 30v
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar in een periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 16 maal arbeid in nachtdienst verricht, indien de arbeid eindigt vóór of op 02.00 uur.
Artikel 30w
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar in elke periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 10 maal en in elke periode van13 achtereenvolgende weken meer dan 25 maal arbeid in nachtdienst verricht, indien die arbeid eindigt ná 02.00 uur.
Artikel 30x
2. Indien de aard van de arbeid met zich brengt dat arbeid in nachtdienst worden verricht en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder:
a. hetzij ten hoogste 35 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst;
b. hetzij ten hoogste 20 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
3. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 30y
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang noodzakelijk maakt dat de ambtenaar 7 maal achtereen arbeid in nachtdienst verricht die eindigt vóór of op 02.00 uur, hetzij 6 of 7 maal achtereen arbeid in nachtdienst verricht die eindigt ná 02.00 uur.
3. Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft de ambtenaar,:
a. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 maal achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, die eindigt vóór of op 02.00 uur;
b. hetzij na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 maal achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht, die eindigt ná 02.00 uur,
recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.
Artikel 30z
2. Indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden voordoet of de aard van de arbeid het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar van 18 jaar of ouder slechts incidenteel of voor korte tijd arbeid in nachtdienst verricht en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de ambtenaar in elke periode van 52 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid.
3. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 6
Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd
Artikel 31a
2. Indien de arbeid geen uitstel gedogen, en door het nemen van andere maatregelen redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder ten hoogste éénmaal in elke periode van 2 achtereenvolgende weken 14 uren arbeid per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst.
3. Het tweede lid is eveneens van toepassing, indien de arbeid wordt verstoord door een zich plotseling voordoende situatie:
a. waarbij personen ernstig letsel oplopen, dan wel daartoe de onmiddellijke dreiging bestaat;
b. waarbij buitengewoon ernstige schade aan goederen ontstaat, dan wel dreigt te ontstaan.
Artikel 31b
2. De arbeidsduur per dienst of per nachtdienst onderscheidenlijk de onafgebroken rusttijd wordt met ten hoogste 15 achtereenvolgende minuten verlengd onderscheidenlijk ingekort, indien de arbeid van de ambtenaar van 18 jaar of ouder aan het eind van de dienst wordt overgenomen en direct daaropvolgend worden voortgezet door een andere ambtenaar en de goede voortgang van die arbeid overdracht noodzakelijk maakt.
3. Op de afwijking bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 30v, 30wen 30x, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Paragraaf 7
Pauzeregeling
Artikel 31c
2. De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.
3. De commandant dient over de toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4. Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan wordt, met inachtneming van het eerste lid, de arbeid van de ambtenaar:
a. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
b. indien hij meer dan 8 uren, doch niet meer dan 10 uren arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten;
c. indien hij meer dan 10 uren arbeid per dienst of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.
5. Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.
6. De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de arbeid.
Artikel 31d
2. De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.
3. De commandant dient over de toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4. Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan wordt, met inachtneming van het eerste lid, de arbeid van de jeugdige ambtenaar:
a. indien hij niet meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
b. indien hij meer dan 8 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten.
5. Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.
6. De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de arbeid.
Artikel 31e
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt de tijd tijdens de werkplekgebonden pauze waarop de arbeid van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als pauze.
Artikel 31f
a. arbeid verricht zonder enig direct contact met een andere ambtenaar die vergelijkbare arbeid verricht, of
b. indien de aard van de arbeid met zich brengt dat de afwisseling van de arbeid per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst door een pauze onmogelijk is en dit door het op een andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3. Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de ambtenaar in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week arbeid.
4. Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de ambtenaar in afwijking van artikel 31i, tweede lid, en artikel 31o, tweede lid, ten hoogste 12 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.
Paragraaf 8
Werk- en rusttijden op bepaalde dagen
Artikel 31g
2. Het eerste lid geldt mede voor Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag en 5 mei en de door Onze Minister aan te wijzen feest- of gedenkdagen.
3. De ambtenaar verricht geen arbeid op ten minste 26 zondagen per periode van 52 weken.
4. Indien naar het oordeel van de commandant de belangen van de dienst zich hiertegen niet verzetten, wordt de ambtenaar, aan wie op een zondag of een dag als bedoeld in het tweede lid, dienst is opgedragen, tijdens de werktijd in de gelegenheid gesteld de godsdienstuitoefening van de gezindte waartoe hij behoort bij te wonen.
Artikel 31h
2. Indien de aard van de arbeid, of de bedrijfsomstandigheden, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag of 5 december dit noodzakelijk maakt, verricht de ambtenaar van 18 jaar of ouder in de aaneengesloten periode van 7 dagen voorafgaand aan die dag ten hoogste tweemaal 14 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.
3. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4. Artikel 31ais niet van toepassing indien het eerste en tweede lid wordt toegepast.
Artikel 31i
2. De ambtenaar van 18 jaar of ouder verricht, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag, in de tijdruimte tussen de dag voorafgaand aan bedoelde dagen 18.00 uur en de op deze dagen volgende dag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid. De ambtenaar heeft na het verrichten van die arbeid een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3. Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast, dan organiseert de commandant de arbeid zodanig, dat zoveel mogelijk ambtenaren op de in het tweede lid bedoelde dagen geen arbeid verricht in de tijdruimte gelegen tussen 00.00 uur en de daarop volgende dag 06.00 uur.
4. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 9
Consignatie en bijzondere vormen van consignatie
Artikel 31j
2. Ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken wordt geen consignatie opgelegd.
3. Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen consignatie opgelegd.
4. Als consignatie wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
5. Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
6. Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeid aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
7. De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
8. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht niet van toepassing.
Artikel 31k
2. In afwijking van het eerste lid kan de commandant de ambtenaar gedurende ten hoogste 6 weken in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
3. Als het tweede lid wordt toegepast heeft de ambtenaar na de aanwezigheidsdienst of reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten een onafgebroken rusttijd die ten minste even lang is als de voorafgaande aanwezigheidsdienst onderscheidenlijk reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten.
4. Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen aanwezigheidsdienst opgelegd.
5. Als een aanwezigheidsdienst wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
6. Indien de aanwezigheidsdienst geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
7. Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.
8. Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
9. De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
10. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Artikel 31l
2. In afwijking van artikel 31j, tweede lid, kan de commandant de ambtenaar ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, ten hoogste 46 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken en ten hoogste 124 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
3. Indien het tweede lid wordt toegepast dan:
a. heeft de ambtenaar vóór en ná een aanwezigheidsdienst een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren;
b. bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 10 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
4. Het derde lid, onderdeel a, blijft buiten toepassing, indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen waardoor het aantal ambtenaren dat nodig is onder het vereiste minimum komt, die een dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.
5. Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.
6. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
7. De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
8. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Artikel 31m
2. Als piket wordt opgelegd, dan wordt de ambtenaar ten minste gedurende 8 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen piket, aanwezigheidsdienst of consignatie opgelegd.
3. Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen piket opgelegd.
4. Als piket wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
5. Indien het piket geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
6. Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens het piket waarbij de dienst van de ambtenaar zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek als rusttijd.
7. Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep wordt verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
8. De arbeid die voortvloeit uit een oproep wordt voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
9. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht niet van toepassing.
Paragraaf 10
Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst
Artikel 31n
Artikel 31o
2. De ambtenaar verricht in de tijdruimte gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per dienst onderscheidenlijk per nachtdienst arbeid.
3. Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast heeft de ambtenaar na het verrichten van die arbeid een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, en verricht hij ten minste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken geen arbeid in de tijdruimte gelegen tussen zaterdag 00.00 uur en de daaropvolgende maandag 06.00 uur.
4. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 31p
2. De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren, welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 72 uren.
3. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4. Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft de ambtenaar recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren.
5. De in het tweede en vierde lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de ambtenaar arbeid verricht.
Artikel 31q
2. Indien de arbeidsduur meer dan 5½ uur per dienst bedraagt, dan wordt de arbeid van de ambtenaar afgewisseld door een pauze.
3. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Artikel 31r
2. Onverminderd het gestelde in artikel 31i, en artikel 31oten aanzien van de zondag,:
a. verricht de ambtenaar bij toepassing van het eerste lid gedurende ten hoogste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken en 8 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken, ten hoogste 11 uur per nachtdienst arbeid;
b. heeft de ambtenaar na het verrichten van die arbeid recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3. De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
Paragraaf 11
Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke ambtenaren
Artikel 31s
2. De zwangere ambtenaar heeft het recht de arbeid af te wisselen met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 31c. Deze extra pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten en ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende arbeidsduur per dienst of nachtdienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
3. De zwangere ambtenaar heeft het recht arbeid te verrichten in een bestendig en regelmatig werk- en rusttijdenpatroon.
4. De zwangere ambtenaar kan niet worden verplicht arbeid te verrichten anders dan op grond van artikel 30ois toegestaan.
5. De zwangere ambtenaar kan niet worden verplicht arbeid te verrichten in nachtdienst, tenzij de commandant aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
6. De commandant stelt de zwangere ambtenaar in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. De tijd van de in de vorige volzin bedoelde onderzoeken gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
Artikel 31t
a. geen arbeid verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de vrouwelijke ambtenaar aan de commandant overgelegde schriftelijke verklaring van een geneeskundige of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak dat verloopt tussen de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;
b. geen arbeid verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.
Artikel 31u
Artikel 31v
2. De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidsduur per dienst of nachtdienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke ambtenaar na overleg met de commandant.
3. De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen als arbeidsduur.
Hoofdstuk 5
Vakantie en verlof
§ 1
Vakantie
Artikel 32
2. De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.
3. De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. het salaris van de ambtenaar;
b. de leeftijd van de ambtenaar;
c. de arbeidsduur waarvoor de ambtenaar is aangesteld.
4. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur bedraagt de aanspraak op vakantie 184 uren per kalenderjaar indien het salaris op 1 januari van het desbetreffende jaar minder bedraagt dan het maximumsalaris van schaal 9 van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, en 192 uren per kalenderjaar indien het salaris op 1 januari van het desbetreffende jaar gelijk is aan of meer bedraagt dan vorenbedoeld maximumsalaris.
5. De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt verhoogd:
a. volgens onderstaande tabel, afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt;
b. over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam is: met zoveel uren als hij op in dat kalenderjaar niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen als bedoeld in artikel 31g, tweede lid volgens rooster heeft gewerkt, hetzij volgens rooster vrij van arbeid is geweest, dan wel uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting was gehouden.
6. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur, wordt de op basis van het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak van een ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur.
7. Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de vrij van arbeid, die de ambtenaar in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.
8. Indien de wekelijkse arbeidsduur waarvoor de ambtenaar is aangesteld wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de gewijzigde arbeidsduur verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
9. De vakantie waarop een ambtenaar aanspraak maakt wordt naar evenredigheid verminderd indien hij een aaneengesloten periode van langer dan een maand geheel of gedeeltelijk geen vrij van arbeid verricht.
10. Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen vrij van arbeid wordt verricht wegens:
a. vakantie;
b. ziekte;
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen.
11. De vakantie waarop de ambtenaar aanspraak maakt:
wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend zorgverlof als bedoeld in artikel 46e, of ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg, is verleend;
kan worden verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet ambtenaren defensie of artikel 45 van dit besluit, is verleend.
12. De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie, indien artikel 61a, tweede lid, onderdeel g, van toepassing is.
Artikel 33
2. Vakantie wordt zoveel mogelijk opgenomen in aaneengesloten perioden van ten minste vier uren.
3. De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 152 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 76 uur over een aaneengesloten periode indien hij is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur, en tot in evenredigheid lagere getallen indien hij is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur.
4. De commandant kan toestaan dat een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 64 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 38 uur, wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over het eerstvolgende jaar.
5. De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van te voren.
6. Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De vorige volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar ten genoege van de commandant die ziekte of dat ongeval aantoont.
7. Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan de commandant aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
8. Niet opgenomen vakantieverlof wordt overgeboekt naar het volgende kalenderjaar.
9. Het overgeboekte vakantieverlof als bedoeld in het achtste lid vervalt op 31 december van het volgende kalenderjaar. Deze vervaldatum wordt met een kalenderjaar uitgesteld indien operationele omstandigheden de commandant hebben verhinderd vakantie te verlenen, of naar het oordeel van de commandant gewichtige persoonlijke omstandigheden of medische redenen de ambtenaar hebben verhinderd vakantie op te nemen
10. Indien medische redenen de ambtenaar hebben verhinderd om vakantie op te nemen, legt de ambtenaar een schriftelijke verklaring van de behandelend arts over aan de commandant.
11. Het niet genoten vakantieverlof toegekend voor 1 januari 2019, wordt uiterlijk voor of op 31 december 2023 genoten. Op 1 januari 2024 vervalt de aanspraak op het niet genoten verlof van voor 1 januari 2019.
Artikel 34
2. Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
3. In geval van overgang zonder onderbreking naar een functie binnen een andere sector van de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan, indien dit binnen die andere sector van de rijksdienst mogelijk is, de ambtenaar er - in zoverre in afwijking van het eerste lid - voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, mee te nemen. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
4. Indien de ambtenaar overlijdt, wordt dit artikel overeenkomstig toegepast.
Artikel 35
Artikel 36
§ 2
Verlof
Buitengewoon verlof van korte duur
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
a. voor zover het betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;
b. voor zover het betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;
c. voor zover het betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.
2. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in het Besluit georganiseerd overleg sector defensieof een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging respectievelijk binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.
3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het – op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt.
4. Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid alsmede op grond van artikel 17, tweede lid, van het Besluit medezeggenschap defensieaan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend:
a. aan leden van hoofdbesturen van centrales van overheidspersoneel als bedoeld in het Besluit georganiseerd overleg sector defensie en van organisaties, die rechtstreeks bij die centrales zijn aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die organisatie aangesloten centrales;
c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs (CMHF), alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie.
5. Het verlof bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren, die deel uitmaken van de sectorcommissie Defensie.
6. Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door de commandant aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van commissies voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de vorige volzin bedoelde vergadering.
Artikel 43
a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten hoogste twee dagen;
b. bij verhuizing in geval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.
Artikel 44
a. bij zijn ondertrouw: één dag;
b. bij zijn huwelijk: vier dagen;
c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste graad, van stief- of pleegouders, dan wel van stief- of pleegkinderen: één dag indien dit huwelijk wordt gesloten in zijn woon- of standplaats en ten hoogste twee dagen, indien dit huwelijk wordt gesloten buiten zijn woon- of standplaats;
d. bij zijn 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum en bij 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: één dag;
Artikel 45
2. Onze Minister is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te stellen.
Artikel 46
2. Indien de ambtenaar, die niet vooraf een aanvraag voor buitengewoon verlof van korte duur bij de commandant heeft ingediend, aantoont, dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging.
3. Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig:
a. indien één der in de voorgaande artikelen genoemde omstandigheden aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen;
b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.
Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg
Artikel 46a
Artikel 46b
Artikel 46c
a. bij plotselinge ziekte van de echtgenote of echtgenoot van de ambtenaar, de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- of aanverwanten in de eerste graad of wanneer een andere noodsituatie, waarvoor de ambtenaar onverwijld een voorziening moet treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen, maar voor ten hoogste één werkdag per zich voordoende situatie;
b. bij de bevalling van zijn echtgenote of de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont;
c. bij overlijden en lijkbezorging van de echtgenote of echtgenoot van de ambtenaar, de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en aanverwanten in de eerste graad: vanaf het overlijden tot en met de dag van de begrafenis of de crematie en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten;
d. bij overlijden van: 1°. bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
2°. bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,
1°. bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
2°. bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,
met dien verstande dat indien de ambtenaar is belast met de regeling van de begrafenis, de crematie of van de nalatenschap dan wel van beide, het verlof voor ten hoogste 4 werkdagen kan worden verleend en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten.
2. De ambtenaar meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden.
3. De commandant kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens een van de redenen genoemd in het eerste lid.
Artikel 46d
Artikel 46e
2. De ambtenaar meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden. Bij de melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en zo mogelijk de vermoedelijke duur van het verlof aan.
3. Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de commandant aan de ambtenaar kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang heeft, dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
4. De commandant kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens de reden genoemd in het eerste lid.
5. De commandant wijst de ambtenaar op de mogelijkheden tot het aanvragen van een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.
6. Indien de ambtenaar aan wie verlof als bedoeld in het eerste lid, is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, wordt door de commandant gedurende de periode waarin sprake is van een samenloop een inhouding op de doorbetaling van de bezoldiging, als bedoeld in het eerste lid, toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
7. Indien aan de in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorggestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, kan de commandant het zesde lid op overeenkomstige wijze toepassen. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
Artikel 46f
Artikel 47
2. De ambtenaar kan door de commandant worden verplicht tot terugbetaling van de tijdens het ouderschapsverlof genoten inkomsten wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend op zijn aanvraag dan wel op grond van aan de ambtenaar te wijten omstandigheden of, wanneer hij is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd, ter zake van het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied. Indien binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend, wordt de verplichting tot terugbetaling naar evenredigheid beperkt. Indien het ontslag verband houdt met een aanstelling als militair bij het Ministerie van Defensie of indiensttreding bij een andere overheidssector bestaat geen verplichting tot terugbetaling.
Buitengewoon verlof van lange duur
Artikel 48
2. Het verlof, genoemd in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar.
Artikel 49
Artikel 50
Artikel 51
2. Artikel 42, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
2. In afwijking van het eerste lid kan aan de ambtenaar, die wenst te worden uitgezonden om in burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen buitengewoon verlof worden verleend op de voet van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930.
Artikel 53
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 54
Hoofdstuk 6
Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen in verband met ziekte
§ 1
Algemeen
Artikel 54a
a. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO;
b. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
c. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
d. beroepsziekte: ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
e. bedrijfsongeval: ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
f. beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;
g. gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO;
h. herplaatsingtoelage: herplaatsingtoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
i. invaliditeitspensioen: invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP;
j. medisch advies: advies van de deskundige persoon of de arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet;
k. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet-SUWI;
l. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en de bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
m. Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de stichting pensioenfonds ABP;
n. Wet-SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
o. WW: Werkloosheidswet;
p. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
q. ZW: Ziektewet;
r. werknemersverzekering: WAO, ZW, dan wel WW;
s. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.
§ 2
Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
Artikel 55
2. Het hoofd defensieonderdeel is verantwoordelijk voor de bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar. Bij deze begeleiding neemt het hoofd defensieonderdeel de door of vanwege Onze Minister gestelde regels in acht.
3. Voor de uitvoering van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding laat het hoofd defensieonderdeel zich bijstaan door de deskundige persoon of de arbodienst.
Artikel 56
2. De ambtenaar, die in verband met het verrichten van zijn arbeid aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, wordt in overleg met of op aanwijzing van de deskundige persoon of de arbodienst onderworpen aan een periodiek bedrijfsgeneeskundig onderzoek.
3. Het hoofd defensieonderdeel draagt de ambtenaar op zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:
a. indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
b. indien de ambtenaar niet langer volledig geschikt is gebleken tot het verrichten van zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden geacht voor het vervullen van een andere betrekking.
4. Het hoofd defensieonderdeel stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende arbeid kan worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.
5. De ambtenaar is gehouden aan een onderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid zijn medewerking te verlenen. Hij is tevens gehouden zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, welke worden ingesteld ter beantwoording van de vraag:
a. of, in welke mate en tot welk tijdstip er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b. of maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid als genoemd in de artikelen 65 en 65a van de WAO.
6. Indien het medisch advies daartoe aanleiding geeft, verzoekt het hoofd defensieonderdeel het UWV de ambtenaar in aanmerking te brengen voor maatregelen of voorzieningen als bedoeld in het vijfde lid onderdeel b.
Artikel 57
2. Indien de ambtenaar binnen drie dagen na ontvangst van de mededeling zijn bedenkingen tegen het advies schriftelijk aan het hoofd defensieonderdeel kenbaar maakt, vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, een nieuw onderzoek plaats door een commissie van drie artsen, tenzij het hoofd defensieonderdeel na overleg met de deskundige persoon of de arbodienst reeds aanstonds van mening is dat de bedenkingen van de ambtenaar voldoende gegrond zijn.
3. De kosten van het in het tweede lid genoemde onderzoek komen voor rekening van het Ministerie van Defensie. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de in artikel 87, tweede lid, bedoelde regels.
§ 3
Maatregelen ingeval van ziekte tijdens de betrekking
Artikel 58
2. Uit hoofde van de verplichting bedoeld in het eerste lid, stelt het hoofd defensieonderdeel in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
Artikel 58a
2. de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, is verplicht:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door dat gezag of die deskundige getroffen maatregelen om hem instaat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten;
b. mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;
c. gedurende het eerste jaar dat hij ongeschikt is een hem aangeboden betrekking te aanvaarden, indien sprake is van passende arbeid.
3. Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden betrekking te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede jaar.
4. Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan de ambtenaar de eigen betrekking wordt opgedragen onder andere voorwaarden.
§ 4
Artikel 59
Artikel 59a
Artikel 60a
Artikel 61a
§ 5
Bezoldiging of uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid na beëindiging van de dienstbetrekking
Artikel 62
2. De gewezen ambtenaar, die binnen een maand na de datum van de beëindiging van zijn betrekking wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, ontvangt - mits hij gedurende tenminste twee maanden onmiddellijk aan dat tijdstip voorafgaande in dienst is geweest - gedurende zijn ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang van deze ongeschiktheid, dan wel - indien dit eerder is - uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
3. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing op de ambtenaar die na de beëindiging van zijn betrekking in verband met de aanvaarding van een betrekking van gelijke omvang aanspraak kan maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de ZWter zake van die aanvaarde betrekking.
4. Indien de gewezen ambtenaar binnen een tijdvak van vier weken nadat de volgens het eerste en tweede lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van ongeschiktheid om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
5. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking, ontvangt over een periode aanvangende met de 41ste dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling en eindigende met de 70ste dag na de datum waarop de bevalling plaatsvond haar laatstelijk genoten bezoldiging. Deze periode wordt verlengd tot 16 weken indien deze periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
Indien de bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na de datum van beëindiging van haar betrekking, maar niettemin binnen die termijn plaatsvindt, ontvangt de gewezen ambtenaar haar laatstelijk genoten bezoldiging uitsluitend gedurende 70 dagen na de datum van bevalling. Indien en voor zolang de ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge de eerste of tweede volzin toekomende uitkeringen nog ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid, zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing. De in het tweede lid bedoelde termijn van een jaar wordt geacht aan te vangen op de dag na de bevalling.
6. Ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vijfde lid is de ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder eerstgenoemde arbeid wordt verstaan gangbare arbeid.
7. Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 52, tweede lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensiebedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering worden in mindering gebracht het bedrag van de uitkering ingevolge artikel 35 van de ZW, dan wel artikel 53 van de WAOen naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
8. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.
9. Indien de gewezen ambtenaar ter zake van de betrekking waaruit het recht op doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging voortvloeit, recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg, dan wel een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge dit artikel recht heeft. Artikel 27 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensieis van overeenkomstige toepassing.
10. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in het negende lid, worden op het bedrag waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit artikel recht heeft in mindering gebracht. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten bezoldiging.
11. Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het eerste lid is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werden genoten en de omvang van die dienstbetrekking niet is toegenomen.
12. Ten aanzien van gevallen als bedoeld in het tweede en vijfde lid is het tiende lid niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf vóór de datum van beëindiging van de betrekking werden genoten en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
13. De gewezen ambtenaar die ingevolge dit artikel aanspraak heeft op doorbetaling van bezoldiging, heeft eveneens aanspraak op vakantie-uitkering overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 5 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
14. In de gevallen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 56, 57, en artikel 29 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, van overeenkomstige toepassing.
15. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, wordt voor de gewezen ambtenaar aan wie voor 1 januari 2018 ontslag is verleend met recht op bezoldiging op grond van dit artikel, verstaan onder pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd van 65 jaar.
§ 6
Bijzondere voorzieningen
Artikel 63
Artikel 64
2. Onze Minister kan omtrent het bepaalde in het vorige lid nadere voorschriften geven.
Artikel 65
2. De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de gedeeltelijke, dan wel verminderde bezoldiging, bedoeld in de artikel 62, negende lid, alsmede de eventuele uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO, vermeerderd met de suppletie krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie, aan te vullen tot 90,02% van de bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag.
3. De in het eerste lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering op grond van de ZW, dan wel de WAO, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging welke de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
[tabel]
4. De aanvullende uitkering als bedoeld in het tweede lid eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval na ommekomst van de duur van de suppletie dan wel met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
De aanvullende uitkering als bedoeld in het derde lid eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden en in ieder geval met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
5. Indien het overlijden van een ambtenaar in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het pensioenreglement, bedoeld in artikel 54a, onderdeel h, een nabestaandenpensioen geniet, door Onze Minister een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
a. 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 8.3 van het pensioenreglement, en
b. de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in paragraaf 5 van het pensioenreglement.
De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overleden ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, dan wel, indien de weduwe aan wie bedoeld pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgend op die van het hertrouwen.
6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie het eerste lid toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat lid.
7. Artikel 62, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op de bezoldiging, bedoeld in het tweede en derde lid.
8. In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, wordt voor de gewezen ambtenaar aan wie voor 1 januari 2018 ontslag is verleend met recht op een uitkering op grond van dit artikel, verstaan onder pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd van 65 jaar.
Artikel 65a
2. De nabestaanden van de ambtenaar die is overleden ten gevolge van een beroepsincident hebben aanspraak op een volledige vergoeding van de schade die zij tengevolge daarvan lijden.
3. De nabestaanden van de gewezen ambtenaar, die is overleden aan de gevolgen van een beroepsincident, hebben aanspraak op een volledige vergoeding van de schade die zij tengevolge daarvan lijden, voor zover er op grond van het eerste lid geen schadevergoeding aan de gewezen ambtenaar is toegekend.
4. Bij de vaststelling van de omvang van de in het vorige leden bedoelde schadevergoeding wordt rekening gehouden met de materiële aanspraken op grond van de rechtspositie en andere uitkeringen welke in verband staan met het beroepsincident.
5. Dit artikel is niet van toepassing op beroepsincidenten die zich hebben voorgedaan voor 1 juni 2012.
6. Onze Minister kan nadere voorschriften geven ten aanzien van de uitvoering van dit artikel.
§ 7
Overige bepalingen
Artikel 66
Artikel 67
Artikel 69
Hoofdstuk 7a
Integriteit
Artikel 70
Artikel 70a
Artikel 70b
2. Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3. De ambtenaar verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het derde lid.
Artikel 70c
2. Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3. De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
4. Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 70d
2. De ambtenaar gedraagt zich naar hetgeen voor de ambtenaar is bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 70e
Artikel 70f
2. De ambtenaar neemt geen steekpenningen aan.
Hoofdstuk 7b
Overige rechten en verplichtingen
Artikel 71
2. Het is de ambtenaar verboden bij het gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend.
3. De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is.
Artikel 72
Artikel 73
Artikel 74
Artikel 75
2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.
Artikel 76
2. De ambtenaar draagt de onderhoudskosten, die volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij door Onze Minister anders wordt bepaald.
Artikel 77
2. Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar indien het belang van de dienst dit vordert, al dan niet in zijn dienstvak en al of niet op dezelfde standplaats, een andere functie opdragen die redelijkerwijs in overeenstemming is met diens persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten; de ambtenaar is verplicht een dergelijke functie te aanvaarden.
3. De Secretaris-Generaal is bevoegd tot het opdragen van een andere functie als bedoeld in het eerste en tweede lid aan een ambtenaar, bezoldigd volgens salarisschaal 14 of hoger van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensiealsmede aan een ambtenaar die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn en die wordt bezoldigd in de salarisschaal behorend bij de rang van kapitein ter zee/kolonel.
Artikel 78
2. Onze Minister kan, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar, de ambtenaar opdragen in geval van buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken tot uitvoering van de taken van de defensieorganisatie of ertoe strekken een zo goed mogelijke uitvoering van die taken te verzekeren.
3. Het hoofd defensieonderdeel kan de ambtenaar opdragen lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen met het oog op het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 79
Artikel 80
Artikel 81
Artikel 82
a. heeft plaats gehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister;
b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een overeenkomst, welke met instemming van Onze Minister of de Ministerraad is tot stand gekomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar, die een nevenfunctie vervult, welke verband houdt met het door hem beklede ambt en hem is opgedragen door Onze Minister, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's-Rijks kas, een vergoeding ontvangt.
3. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door Onze Minister-President is bepaald.
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
a. indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de ambtenaar opgedragen taken en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar; dan wel
b. indien deze schade buiten het kader van aan de ambtenaar opgedragen taken en werkzaamheden is ontstaan door verwijtbaar handelen van de ambtenaar.
2. Wanneer de schade is veroorzaakt door meerdere tot het Defensiepersoneel behorende personen gezamenlijk, kan in beginsel ieder afzonderlijk tot vergoeding van de gehele schade worden verplicht.
Artikel 86
Artikel 87
Artikel 87a
2. Door het hoofd defensieonderdeel kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels, financieel worden bijgedragen in de kosten van de ambtenaar voor kinderopvang of gastouderopvang van een of meerdere kinderen.
3. De bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, eindigt met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag wordt verleend.
4. Wanneer sprake is van een ontslag op grond van artikel 116van dit besluit, eindigt de bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het vierde lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag is ingegaan of op het moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat op een bijdrage, als bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode van 6 maanden blijft de situatie van voor het ontslag ongewijzigd gehandhaafd.
Artikel 88
Artikel 89
2. De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel b. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst bedoeld in artikel 54a, onderdeel bgegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.
3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 90
Artikel 90a
Artikel 91
Artikel 91a
2. Een ambtenaar die tijdens het verblijf in een land als bedoeld in het eerste lid betrokken is geweest bij een incident dat van belang kan zijn uit het oogpunt van veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, is verplicht daarvan onmiddellijk bij terugkomst melding te doen aan een daartoe aangewezen functionaris van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
3. Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 92
Artikel 93
2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit materieelbeheer 1996, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Artikel 94
Artikel 94a
Artikel 96
2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld.
Artikel 97
Hoofdstuk 7c
Het melden van een vermoeden van een misstand
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 98a
betrokken derde: betrokken derde als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
COID: Centrale Organisatie Integriteit Defensie;
degene die een melder bijstaat: degene die een melder bijstaat als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
melder: melder als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
melding: melding als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
vermoeden van een misstand: vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders.
Artikel 98b
Paragraaf 2
Procedure voor het melden van een vermoeden van een misstand
Artikel 98c
2. De vertrouwenspersoon integriteit heeft in elk geval tot taak een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde op diens verzoek te adviseren over het omgaan met een vermoeden van een misstand.
Artikel 98d
2. Een melding over een andere organisatie dan het defensieonderdeel waar hij is tewerkgesteld, doet een melder bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of rechtstreeks bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
Artikel 98e
Artikel 98f
Artikel 98g
Artikel 98h
Artikel 98i
Artikel 98j
a. de melding kennelijk ongegrond is;
b. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
2. De Secretaris-Generaal stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, doorlopend en in ieder geval binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 98i, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van informatie over de verdere behandeling van de melding en, in voorkomend geval, de mededeling van het achterwege laten van een onderzoek dan wel de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4. Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
5. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.
Artikel 98k
Artikel 98l
2. Als het standpunt en de consequenties afwijken van de aanbeveling, vermeldt de Secretaris-Generaal de reden voor de afwijking.
Paragraaf 3
Financiële tegemoetkoming
Artikel 98m
a. de procedure is gericht tegen een melding en gestelde benadeling dan wel de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling van de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit als gevolg van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit;
b. de benadeling, bedoeld in onderdeel a, heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van de bevindingen en het oordeel, bedoeld in artikel 98j, eerste lid, of binnen vijf jaar na openbaarmaking van een rapport als bedoeld in artikel 17 van de Wet bescherming klokkenluiders door de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders, dan wel binnen vijf jaar nadat de melding anderszins is afgehandeld.
2. De melder of de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit die zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen beslissing of handeling die naar zijn oordeel een benadeling inhoudt in verband met een melding of de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, indien:
a. het voornemen is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn, en
b. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat de voorgenomen beslissing of handeling verband houdt met een melding of het gevolg is van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit.
3. De melder, de vertrouwenspersoon integriteit, of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit richt een verzoek om een tegemoetkoming aan de Secretaris-Generaal.
4. Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Artikel 98n
2. Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing.
Artikel 98o
2. De Secretaris-Generaal kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 98p
Artikel 98q
a. de vergoeding wordt toegekend zonder toepassing van het tariefsysteem in voornoemd besluit;
b. de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed voor een bedrag van ten hoogste € 258,57 per uur tot een bedrag van ten hoogste € 6.205,71, beide bedragen exclusief BTW en kantoorkosten;
c. aan de betrokkene toegekende bedragen waarop hij op grond van een ander wettelijk voorschrift of een uitspraak van een gerechtelijke instantie aanspraak heeft in verband met de vergoeding van kosten als bedoeld in dit artikel, in aftrek worden gebracht op de vergoeding.
2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.
Artikel 98r
Hoofdstuk 8
Disciplinaire straffen
Artikel 99
2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
3. De straf wordt opgelegd door Onze Minister of een door hem aangewezen autoriteit.
4. In afwijking van het derde lid, geschiedt het opleggen van straffen, genoemd in artikel 100, eerste lid onder i en l, aan de ambtenaar die bij koninklijk besluit is aangesteld, door Onze Minister.
Artikel 100
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste 6 uren met een maximum van 3 uren per dag;
c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste één derde van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten minste € 2 en ten hoogste € 22,50;
e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
f. vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal dat maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, of indien voor het door de ambtenaar beklede ambt geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
g. het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren;
h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;
i. indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge de van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;
j. verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend;
k. schorsing voor een bepaalde tijd met geheel of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;
l. ontslag.
2. Een opgelegde straf, als bedoeld in het eerste lid onder g, h, of i, kan, indien daar gelet op het gedrag van betrokken ambtenaar naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 99, derde of vierde lid, reden voor is, ongedaan worden gemaakt.
3. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
Artikel 101
2. Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere mondelinge toelichting wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem, te wiens overstaan de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar.
Artikel 102
Artikel 103
2. De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.
Hoofdstuk 8a
Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening defensieambtenaren
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 103a
a. belanghebbende: degene op wie het in artikel 102 bedoelde voornemen betrekking heeft.
b. commissie: de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening defensieambtenaren bedoeld in artikel 103b.
Artikel 103b
2. De commissie heeft tot taak het bevoegd gezag van advies te dienen over het voornemen een disciplinaire straf op te leggen als bedoeld in artikel 102.
Paragraaf 2
Samenstelling van de commissie
Artikel 103c
2. De voorzitter en de andere leden, alsmede hun plaatsvervangers worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en ontslagen. Onze Minister stelt de centrales van overheidspersoneel die deel uitmaken van de Sectorcommissie Defensie, bedoeld in artikel 4 van het Besluit georganiseerd overleg sector defensie, in de gelegenheid voorstellen te doen voor leden, alsmede hun plaatsvervangers.
3. De voorzitter en de andere leden, alsmede hun plaatsvervangers, worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
Artikel 103d
Paragraaf 3
Werkwijze van de commissie
Artikel 103e
2. Wanneer uit een oogpunt van bronbescherming de inhoud van bepaalde stukken ter uitsluitende kennisneming van de commissie dient te blijven, wordt dat aan de commissie medegedeeld.
3. De commissie is bevoegd voorts alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht.
Artikel 103f
2. De secretaris geeft de belanghebbende alsmede het bevoegd gezag onverwijld na de vaststelling kennis van plaats en tijdstip der vergadering onder mededeling van het bepaalde in het derde lid, alsmede van het bepaalde in 103g, eerste lid, tweede volzin.
3. De belanghebbende en zijn raadsman worden voor deze vergadering in de gelegenheid gesteld kennis en afschrift te nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover niet artikel 103e, tweede lid, van toepassing is. In voorkomend geval wordt de belanghebbende daarvan mededeling gedaan.
Artikel 103g
2. Het bevoegd gezag wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt ter vergadering van de commissie nader te doen toelichten.
3. De commissie is bevoegd iedere ambtenaar ten aanzien waarvan zij het horen wenselijk acht te doen oproepen ter vergadering. De opgeroepen ambtenaar verstrekt desgevraagd alle inlichtingen. Indien dit uit een oogpunt van bronbescherming noodzakelijk is, verstrekt de ambtenaar de inlichtingen slechts in het bijzijn van de commissie.
4. De commissie kan al dan niet op verzoek van de belanghebbende andere personen horen.
Artikel 103h
2. De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar.
Artikel 103i
2. Het advies van de commissie wordt met redenen omkleed. Indien in de commissie een minderheidsstandpunt bestaat, wordt dit, alsmede de daaraan ten grondslag liggende argumenten, desverlangd in het advies opgenomen. Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
3. Behoudens dringende redenen wordt het advies niet later dan vier weken na de in artikel 103f, eerste lid, bedoelde vergadering uitgebracht aan het in artikel 103bbedoelde adviesvragende gezag.
Hoofdstuk 9
Rechten en verplichtingen bij het vervallen van een functie
Artikel 104
ambtenaar de ambtenaar, die: 1. is aangesteld in vaste dienst;
2. is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a;
3. is aangesteld in tijdelijke dienst bedoeld in artikel 7, vijfde lid;
1. is aangesteld in vaste dienst;
2. is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a;
3. is aangesteld in tijdelijke dienst bedoeld in artikel 7, vijfde lid;
boventalligheid de situatie dat een ambtenaar zijn functie verliest omdat binnen de te reorganiseren organisatie of een onderdeel daarvan, meerdere ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies resteren.
Artikel 105
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 106
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat specifieke categorieën ambtenaren van wie de functie wordt opgeheven of waarvoor boventalligheid is vastgesteld niet worden aangewezen als herplaatsingskandidaat.
Artikel 107
2. Indien het onderzoek bedoeld in het eerste lid niet heeft geleid tot herplaatsing, onderzoekt Onze Minister, aansluitend aan de periode bedoeld in het eerste lid, gedurende drie maanden of herplaatsing van de ambtenaar op een passende functie binnen of buiten het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
3. Indien het onderzoek bedoeld in het tweede lid niet heeft geleid tot herplaatsing, onderzoekt Onze Minister, aansluitend aan de periode bedoeld in het tweede lid, gedurende zes maanden of herplaatsing van de ambtenaar op een passende functie buiten het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
4. De periode van zes maanden bedoeld in het derde lid, wordt voor elk volledig jaar dat de ambtenaar is aangesteld bij het Ministerie van Defensie, verlengd met een halve maand tot maximaal twaalf maanden.
5. Onze Minister kan op verzoek van de ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat de duur van de herplaatsingsperiode, zoals vastgesteld op grond van het eerste tot en met het vierde lid, verlengen indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 108
2. De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te aanvaarden tijdens het herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 107, derde en vierde lid.
3. De herplaatsingskandidaat die zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit artikel opgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag bedoeld in artikel 116, eerste lidworden verleend.
Artikel 108a
a. om dreigende overtolligheid te voorkomen door ontslag op aanvraag te stimuleren;
b. ten behoeve van ambtenaren die zijn aangewezen als herplaatsingskandidaat bedoeld in artikel 106.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Hoofdstuk 10
Schorsing en ontslag
Artikel 109
2. Onverminderd artikel 99, eerste lid, j°. artikel 100, eerste lid, onderdeel k, kan de ambtenaar voorts in zijn ambt worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd;
c. wanneer het belang van de dienst zulks vordert.
Artikel 110
2. In afwijking van het eerste lid geschiedt de schorsing van de ambtenaar die bij koninklijk besluit is aangesteld, door Onze Minister.
3. De schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, gaat in op het tijdstip, waarop deze de betrokken ambtenaar bekend wordt gemaakt. Indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is de ambtenaar het schorsingsbesluit ter kennis te brengen, gaat de schorsing in op de zevende dag na de dagtekening van het schorsingsbesluit.
Artikel 111
2. Een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel c, wordt opgeheven wanneer de belangen van de dienst de schorsing niet meer vorderen, doch uiterlijk na drie maanden, tenzij de omstandigheid die aanleiding gaf voor die schorsing zich nog immer voordoet.
Artikel 112
2. Het ontslag in de overige gevallen geschiedt door Onze Minister.
Artikel 113
2. Behoudens in het geval bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan 3 maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is ingekomen.
3. Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.
4. Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf op te leggen;
b. indien het belang van de dienst zulks vordert met dien verstande dat de termijn van 3 maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten hoogste 6 maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden;
c. ingevolge een aanvraag van de ambtenaar.
5. Het ontslag op eigen aanvraag wordt eervol verleend.
Artikel 114
a. de Regeling vervroegd uittreden, bedoeld in hoofdstuk 11;
b. het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie.
2. Op aanvraag van de ambtenaar kan ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het eerste lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur.
3. Artikel 113, tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
4. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing als de ambtenaar ontslag vraagt met het oog op ouderdomspensioen dat voor de pensioengerechtigde leeftijd ingaat.
Artikel 115
2. Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die is aangesteld voor onbepaalde tijd – waaronder begrepen de ambtenaar die is aangesteld ter vervanging van een afwezige ambtenaar dan wel belast is met werk van kennelijk tijdelijk karakter – kan ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest;
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is geweest.
3. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof op grond van artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg, noch – indien zij haar dienst heeft hervat – gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Onze Minister kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.
4. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
5. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.
6. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 8 van het Besluit medezeggenschap defensie, noch wegens het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie.
7. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
8. Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, genoemd in het eerste lid, kan ontslag worden verleend met ingang van een dag gelegen binnen een bepaalde tijd of proeftijd. In dat geval vindt het bepaalde in het tweede tot en met zevende lid overeenkomstige toepassing.
Artikel 116
a. wegens opheffing van zijn betrekking;
b. wegens overtolligheid van personeel als gevolg van verandering in de inrichting van het dienstvak of onderdeel daarvan zoals een directie of een afdeling waarbij de ambtenaar werkzaam is, dan wel als gevolg van vermindering der werkzaamheden bij het dienstvak of dat onderdeel.
2. Ontslag op een van de in het eerste lid genoemde gronden kan slechts plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek bedoeld in artikel 107, eerste en tweede lid, niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar te herplaatsen op een passende functie binnen het gezagsbereik van Onze Minister. Het ontslag zal worden verleend na ommekomst van het volledige herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 107 of eerder indien zulks met de ambtenaar wordt overeengekomen dan wel sprake is van een situatie bedoeld in artikel 108, derde lid.
3. Ontslag van in vaste dienst aangestelde ambtenaren wegens overtolligheid van personeel geschiedt in de volgende rangorde:
a. zij die zulks wensen;
b. zij die 35 of meer voor pensioen geldende dienstjaren hebben, waarbij ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan;
c. zij die de leeftijd van 35 jaren nog niet hebben overschreden, te beginnen met hen die het geringste aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht;
d. zij die het geringste aantal jaren in overheidsdienst hebben doorgebracht. Voor de berekening van het aantal jaren in burgerlijke openbare dienst wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0-4-jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
4. Indien het dienstbelang zulks vordert, kan bij de verlening van ontslag van de rangorde genoemd in het derde lid, worden afgeweken. Omvat de afvloeiing in dat geval meer dan 1% van het aantal ambtenaren in vaste dienst bij het betrokken dienstvak of onderdeel daarvan - met een minimum van 5 dan geschiedt zij naar een bepaald vooraf vastgesteld plan.
5. Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid van dit artikel wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
6. Aan de ambtenaar wordt bij dan wel na verplaatsing van de dienst of het dienstvak of onderdeel daarvan waarbij hij werkzaam is, eervol ontslag verleend, indien op grond van door hem kenbaar gemaakte, aan zijn persoonlijke omstandigheden ontleende en door Onze Minister als geldig erkende bedenkingen van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich naar de daaruit voor hem voortvloeiende verplaatsing zal voegen dan wel in de daaruit voor hem voortgevloeide verplaatsing zal blijven voegen, tenzij de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lidhet mogelijk acht aan de ambtenaar andere hem passende werkzaamheden op te dragen waarvoor eerderbedoelde bedenkingen niet gelden.
Artikel 117
2. Tenzij artikel 53, eerste lidvan toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 50danwel van artikel 52, eerste lid, naar het oordeel van de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lidniet in actieve dienst kan worden hersteld.
3. Het eerste lid vindt eveneens toepassing voor de ambtenaar die ophoudt de functie van substituut-ombudsman te bekleden.
Artikel 118
Artikel 119
Artikel 120
2. Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze Minister is de machtiging vereist van Onze Minister-President.
Artikel 121
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door Onze Minister gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. het aangaan van een graad van zwagerschap, die de benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;
c. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;
d. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
e. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
i. het bij of in verband met indiensttreding of medisch onderzoek verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2. Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a, b, f, gen hwordt steeds eervol verleend.
3. Behoudens voor de toepassing van artikel 123akan een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f. slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.
4. Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan als bedoeld in artikel 54a.
5. Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het derde lid, onder a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens ziekte die haar oorsprong vindt in de zwangerschap of bevalling, in geval deze ziekte is opgetreden tijdens de zwangerschap en gedurende en na het zwangerschapsverlof heeft voortgeduurd.
6. Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien:
a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
b. zij worden onderbroken door afwezigheid tijdens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van het bevallingsverlof, dan wel;
c. een onder b. bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.
7. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen aen b, vraagt Onze Minister het oordeel van een daartoe door de UWV, bedoeld in artikel 54a, onderdeel k, die de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringenuitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.
8. De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door Onze Minister aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
9. Onze Minister stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld. Daarbij wijst Onze Minister de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
10. De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het zesde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
11. De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan Onze Minister . Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.
12. Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
Artikel 122
2. Dit artikel is niet van toepassing:
a. op personen, die krachtens reeds bestaande wettelijke voorschriften bij het bereiken van een bepaalde leeftijd, behoudens toepassing van overgangsbepalingen, uit de functie worden ontslagen;
b. op personen die de functie als nevenbetrekking bekleden.
Artikel 123
Artikel 123a
a. gevolg te geven aan door Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften mee te werken aan door Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid als bedoeld in artikel 54a, onderdeel j, te verrichten,
b. passende arbeid als bedoeld in artikel 54a, onderdeel j, te verrichten waartoe Onze Minister hem in de gelegenheid stelt, dan wel
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint Onze Minister een hierop betrekking hebbend advies van de UWV, bedoeld in artikel 54a, onderdeel i, in en neemt dit mede in beschouwing.
Artikel 124
2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt verleend, die, naar het oordeel van dat bevoegd gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering is ten minste gelijk aan het totaalbedrag van de uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidsweten het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie.
3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswetof het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
Artikel 127
2. Met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging, welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of zou hebben genoten met in acht neming van het bepaalde in artikel 59a.
De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in artikel 15, dan wel artikel 18van eerdervermeld besluit, wordt het gedeelte van de in de eerste volzin genoemde uitkering dat betrekking heeft op bovenbedoelde toelagen gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.
Bij ontstentenis van een weduwe, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige veplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenene die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
3. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien de ambtenaar op de dag van zijn overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 6wordt verstaan.
5. Op het bedrag bedoeld in het tweede lid, worden in mindering gebracht een uitkering overeenkomstig 35en 36 van de Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensieen naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, voorzover deze daadwerkelijk geschieden.
Artikel 127a
2. Indien een ambtenaar overlijdt en het overlijden verband houdt met het verrichten van zijn arbeid, wordt aan de nabestaanden een tegemoetkoming in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal € 5 000.
3. Indien een ambtenaar overlijdt ten gevolge van een vliegongeval tijdens een dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit dienstreizen defensie, per militair luchttransport, wordt aan de nabestaanden een som ineens ten bedrage van € 15 000 toegekend.
4. Voor zover Onze Minister niet anders bepaalt, is dit artikel niet van toepassing in buitengewone omstandigheden.
Artikel 128
2. Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de termijn, gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt kan Onze Minister te zijner beoordeling een vergoeding geven.
Artikel 129
Artikel 130
2. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 127vindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
3. Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van Onze Minister de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling is toegekend over het tijdvak waarover naar het oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.
5. De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.
Hoofdstuk 11
Regeling vervroegd uittreden
Artikel 131
diensttijd bij de overheid: de diensttijd, bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie;
RVU-ontslag: het ontslag op aanvraag om gebruik te maken van de regeling vervroegd uittreding;
RVU-uitkering: een maandelijkse uitkering volgend op een RVU-ontslag.
Artikel 132
a. op de datum van diens RVU-ontslag ten hoogste 36 maanden is verwijderd van de datum van de pensioengerechtigde leeftijd die voor de ambtenaar geldt, en;
b. op de datum van diens RVU-ontslag een diensttijd bij de overheid heeft doorgebracht van tenminste 35 jaar, en;
c. tot de datum van diens RVU-ontslag aanspraak heeft op de toelage, bedoeld in: 1°. artikel 20 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, of;
2°. artikel 24 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, of;
3°. artikel 5 van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie, of;
4°. artikel 5 van het Besluit personenchauffeurs defensie, alsmede over de afgelopen twintig jaar gecumuleerd een periode van ten minste tien jaar aanspraak heeft gehad op één of meerdere van deze toelagen.
1°. artikel 20 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, of;
2°. artikel 24 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, of;
3°. artikel 5 van de Inkomstenregeling burgerlijke ambtenaren defensie, of;
4°. artikel 5 van het Besluit personenchauffeurs defensie, alsmede over de afgelopen twintig jaar gecumuleerd een periode van ten minste tien jaar aanspraak heeft gehad op één of meerdere van deze toelagen.
2. De ambtenaar:
a. op wie de overgangsbepaling functioneel leeftijdsontslag, bedoeld in artikel 171a, van toepassing is, alsmede
b. die een uitkering geniet ingevolge artikel 2 van de Uitkeringswet gewezen militairen komt niet in aanmerking voor RVU-ontslag.
Artikel 133
2. De aanvraag wordt uiterlijk vier maanden voor de beoogde ontslagdatum of voor 31 december 2025 ingediend bij het bevoegd gezag, waarbij geldt dat de ambtenaar uiterlijk 31 december 2025 van de beslissing tot ontslagverlening schriftelijk in kennis wordt gesteld.
Artikel 134
2. De ambtenaar heeft recht op de RVU-uitkering ter hoogte van het bedrag per maand, bedoeld in artikel 32ba, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
3. Bij een deeltijdaanstelling wordt de RVU-uitkering vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige aanstelling.
4. De RVU-uitkering wordt gedurende de looptijd van de uitkering aangepast overeenkomstig wijzigingen van het in artikel 32ba, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964genoemde bedrag.
5. De RVU-uitkering eindigt met ingang van de dag:
a. waarop de ambtenaar weer in dienst treedt bij het ministerie van Defensie, of;
b. waarop de ambtenaar diens geldende pensioengerechtigde leeftijd bereikt, of;
c. volgende op de dag waarop de ambtenaar overlijdt.
Hoofdstuk 12
Rechtspositie studenten aan initiële opleidingen en entree- en basisberoepsopleidingen in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel 161
a. opleiding: de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014;
b. student: de ambtenaar die minder dan twaalf maanden achtereen is bezoldigd volgens het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en die deelneemt aan de opleiding.
Artikel 162
Artikel 163
Artikel 164
2. De artikelen 19en 22van dit besluit zijn niet van toepassing op de student.
Artikel 166
Hoofdstuk 13
Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 168
Artikel 168a
Artikel 169
2. De ambtenaar die bij koninklijk besluit in algemene dienst van het Rijk is aangesteld op grond van artikel 7, vierde lid van het Algemeen rijksambtenarenreglementen werkzaam is bij het Ministerie van Defensie wordt geacht met ingang van de datum van inwerkingtreden van dit besluit te zijn aangesteld bij het Ministerie van Defensie.
Artikel 170
2. Besluiten ten aanzien van ambtenaren als genoemd in artikel 1van dit besluit, welke na 1 april 1993 op basis van het Algemeen rijksambtenarenreglementzijn genomen worden geacht te zijn genomen op basis van dit besluit.
Artikel 171
Artikel 171a
a. verpleegkundige, in hoofdzaak werkzaam bij het ambulancevervoer van patiënten;
b. ambtenaar van de brandweer belast met de actieve deelname aan de repressieve brandbestrijding;
c. burgerverkeersleider bij de Koninklijke luchtmacht;
d. bootsman, matroos of tweede machinist aan boord van een zeesleper of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst, geldt een leeftijdsgrens indien hij de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt: 1°. in het jaar 2010, van vijfenvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2011, van vijfenvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2012, van vijfenvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2013, van zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2014, van zesenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2015, van zesenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2016, van zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2017, van zevenenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2018, van achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2019, van achtenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2020, van negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2021, van negenenvijftig jaar en zes maanden;
13°. in het jaar 2022 van zestig jaar.
1°. in het jaar 2010, van vijfenvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2011, van vijfenvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2012, van vijfenvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2013, van zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2014, van zesenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2015, van zesenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2016, van zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2017, van zevenenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2018, van achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2019, van achtenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2020, van negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2021, van negenenvijftig jaar en zes maanden;
13°. in het jaar 2022 van zestig jaar.
2. Voor de ambtenaar die op 1 januari 2006 was geplaatst op een functie:
a. die in hoofdzaak bestaat uit de daadwerkelijke verpleging van lichamelijk en geestelijk zieken. Hieronder worden medebegrepen de niet-gekwalificeerde functionarissen die in de daadwerkelijke verpleging werkzaam zijn;
b. als directrice of adjunct-directrice van een inrichting voor verpleging van zieken;
c. als commandant van de brandweer die op grond van de organisatie van deze dienst tijdens een brand door één of meerdere officieren wordt bijgestaan;
d. bij het geüniformeerd burgerpersoneel van het Marine Bewakings Korps of als de bediende aan boord van een zeeloodsvaartuig;
e. in nader door Onze Minister aan te wijzen functies in de operationele sector bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;
f. belast met de interceptie (verwerven en verwerken) van bijzonder verbindings- en berichtenverkeer ten behoeve van veiligheidsdoeleinden, dan wel (tevens) rechtstreeks met de leiding daarvan;
g. als kapitein of eerste machinist aan boord van een zeesleper of een haven- of kustsleper van de Rijks Havendienst;
h. aan boord van de tanker of de transportvaartuigen van de Rijks Havendienst;
i. aan boord van een schip van de Hydrografische Dienst;
j. bij het burgerbewakingspersoneel van het Joint Operations Centre;
k. als bewaker-hondengeleider of bewaker-hondengeleider-portier bij het burgerbewakingspersoneel van de Koninklijke landmacht, voor zover belast met de continubewaking van afgelegen objecten onder verzwarende terreinomstandigheden, geldt een leeftijdsgrens indien hij de leeftijd van zestig jaar bereikt: 1°. in het jaar 2010, van zestig jaar en twee maanden;
2°. in het jaar 2011, van zestig jaar en vier maanden;
3°. in het jaar 2012, van zestig jaar en vijf maanden;
4°. in het jaar 2013, van zestig jaar en zeven maanden;
5°. in het jaar 2014, van zestig jaar en tien maanden;
6°. in het jaar 2015, van één en zestig jaar;
7°. in het jaar 2016, van één en zestig jaar en drie maanden;
8°. in het jaar 2017, van één en zestig jaar en vijf maanden;
9°. in het jaar 2018, van één en zestig jaar en negen maanden;
10°. in het jaar 2019, van één en zestig jaar en elf maanden;
11°. in het jaar 2020, 2021 of 2022, van tweeënzestig jaar.
1°. in het jaar 2010, van zestig jaar en twee maanden;
2°. in het jaar 2011, van zestig jaar en vier maanden;
3°. in het jaar 2012, van zestig jaar en vijf maanden;
4°. in het jaar 2013, van zestig jaar en zeven maanden;
5°. in het jaar 2014, van zestig jaar en tien maanden;
6°. in het jaar 2015, van één en zestig jaar;
7°. in het jaar 2016, van één en zestig jaar en drie maanden;
8°. in het jaar 2017, van één en zestig jaar en vijf maanden;
9°. in het jaar 2018, van één en zestig jaar en negen maanden;
10°. in het jaar 2019, van één en zestig jaar en elf maanden;
11°. in het jaar 2020, 2021 of 2022, van tweeënzestig jaar.
3. Aan de ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid kan op diens aanvraag eervol ontslag worden verleend met ingang van de eerste van de maand, volgende op die waarin de voor de ambtenaar geldende leeftijdsgrens wordt bereikt. Dit ontslag wordt aangemerkt als een ontslag als bedoeld in artikel 114, eerste lid, indien wordt voldaan aan de daar bedoelde voorwaarden.
4. De ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, heeft het recht om na het bereiken van de in het eerste respectievelijk tweede lid genoemde leeftijdsgrens langer door te werken op zijn functie voor een periode van maximaal vier respectievelijk twee jaar. Na afloop van deze periode kan dit op aanvraag van de ambtenaar jaarlijks worden verlengd, indien dit door het bevoegde gezag in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar blijkens de uitslag van een onderzoek door de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in artikel 54a, onderdeel b, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht diens functie te blijven uitoefenen. Indien tussentijds uit de uitslag van een bedrijfsgeneeskundig onderzoek blijkt dat de ambtenaar ongeschikt is geworden voor de verdere uitoefening van diens functie, zal alsnog ontslag worden verleend als bedoeld in het derde lid.
5. De ambtenaar bedoeld in het eerste of tweede lid voor wie tijdens de periode gelegen na het vijfenvijftigste levensjaar op basis van een individuele afweging het voortzetten van de uitoefening van zijn functie leidt tot een te grote fysieke belasting, wordt een passende functie opgedragen, bij voorkeur in of in de nabijheid van zijn standplaats, met behoud van het uitzicht op functioneel leeftijdsontslag als bedoeld in het derde lid.
6. De ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die de leeftijd van vijfenvijftig respectievelijk zestig jaar bereikt in het jaar 2023 of later, wordt vóór het bereiken van de leeftijd van zestig respectievelijk tweeënzestig jaar een passende functie opgedragen als bedoeld in artikel 105niet zijnde een functie als bedoeld in het eerste of tweede lid.
7. Indien het tijdig opdragen van een passende functie als bedoeld in het zesde lid niet mogelijk is, kan de ambtenaar:
a. op aanvraag ontslag worden verleend als bedoeld in het derde lid dan wel
b. op aanvraag ervoor kiezen om door te werken op diens functie tot het bereiken van de in het vierde lid genoemde momenten, waarna de ambtenaar een andere functie kan worden opgedragen.
Artikel 172
Artikel 173
Artikel 173a
Artikel 174
Artikel 175
Artikel 37
a. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar die in werkelijke dienst is als vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
c. de ambtenaar, die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijk militaire of daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake waarvan bij koninklijk besluit zulks is bepaald.
Artikel 38
2. Indien de ambtenaar op een dag als bedoeld in het eerste lid, een aantal uren dienst moet verrichten binnen het voor hem vastgestelde rooster, dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam zijnde, op die dag volgens rooster vrij van dienst is of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting is gehouden, geniet hij bedoeld aantal uren als verlof op een andere dag.
3. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing, indien de sluiting van het Ministerie van Defensie regionaal of plaatselijk plaats vindt en de ambtenaar elders werkzaam is.
4. Het eerste en tweede lid vinden voorts geen toepassing, indien het betreft feestdagen genoemd in artikel 31g, tweede lid.