BWBR0006040
Geldig vanaf 2019-09-30
Artikel 10
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie
1. Onze Minister kan, met uitzondering van het geval, bedoeld in het tweede lid, van de betrokkene eisen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0014194" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet justitiële gegevens</a>overlegt.
2. Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008277/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken</a>is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008277/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wet</a>is afgegeven.
3. Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister dit noodzakelijk wordt geacht.
4. Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt pas ingesteld, als naar het oordeel van Onze Minister de betrokkene geschikt en bekwaam is voor de betreffende functie.
2. Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008277/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken</a>is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008277/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van die wet</a>is afgegeven.
3. Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister dit noodzakelijk wordt geacht.
4. Een veiligheidsonderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt pas ingesteld, als naar het oordeel van Onze Minister de betrokkene geschikt en bekwaam is voor de betreffende functie.