BWBR0006040
Geldig vanaf 2019-09-30
Artikel 130
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie
1. Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid, de bepalingen van de artikelen 127 tot en met 129overeenkomstig toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door Onze Minister te bepalen dag.
2. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 127vindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
3. Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van Onze Minister de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling is toegekend over het tijdvak waarover naar het oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.
5. De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.
2. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 127vindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid.
3. Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van Onze Minister de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid.
4. Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling is toegekend over het tijdvak waarover naar het oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen.
5. De bezoldiging waarop de ambtenaar ingevolge het derde en vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald.