BWBR0004730
Geldig vanaf 1992-08-01
Artikel 7
Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990
1. Het onvruchtbaar maken van dieren, het verrichten van operaties bij dieren en het toepassen bij dieren van diergeneesmiddelen aangewezen krachtens <a href="/wet/BWBR0003818/artikel/29" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet</a>is, voor zover een en ander niet als beroep geschiedt, aan anderen dan dierenartsen verboden.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:
a. voor zover een handeling, als daar bedoeld, wordt verricht in het kader van onderzoekingen in daarvoor door Onze Minister aangewezen diergeneeskundige instellingen en instellingen van wetenschap of onderzoek;
b. voor zover een handeling, als daar bedoeld, wordt verricht door hen, die ingevolge de artikelen 4, 5 en 6 diezelfde handeling als beroep mogen verrichten;
c. voor het onvruchtbaar maken van mannelijke biggen door de houders van die dieren voor zover en voor zolang zulks door Onze Minister is toegestaan en met inachtneming van de daarbij gestelde regelen;
d. voor het toepassen bij dieren van de in het eerste lid bedoelde diergeneesmiddelen, met uitzondering van die welke krachtens artikel 30, vierde lid, van de Diergeneesmiddelenwet zijn aangewezen, door de houder van dieren, voor zover en voor zolang de dierenarts die de dieren behandelt, dit noodzakelijk acht.
3. Onze Minister kan geheel of gedeeltelijk van het in het eerste lid gestelde verbod vrijstelling of ontheffing verlenen. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:
a. voor zover een handeling, als daar bedoeld, wordt verricht in het kader van onderzoekingen in daarvoor door Onze Minister aangewezen diergeneeskundige instellingen en instellingen van wetenschap of onderzoek;
b. voor zover een handeling, als daar bedoeld, wordt verricht door hen, die ingevolge de artikelen 4, 5 en 6 diezelfde handeling als beroep mogen verrichten;
c. voor het onvruchtbaar maken van mannelijke biggen door de houders van die dieren voor zover en voor zolang zulks door Onze Minister is toegestaan en met inachtneming van de daarbij gestelde regelen;
d. voor het toepassen bij dieren van de in het eerste lid bedoelde diergeneesmiddelen, met uitzondering van die welke krachtens artikel 30, vierde lid, van de Diergeneesmiddelenwet zijn aangewezen, door de houder van dieren, voor zover en voor zolang de dierenarts die de dieren behandelt, dit noodzakelijk acht.
3. Onze Minister kan geheel of gedeeltelijk van het in het eerste lid gestelde verbod vrijstelling of ontheffing verlenen. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend.