BWBR0004730
Geldig vanaf 1992-08-01
Artikel 3
Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990
1. Onze Minister kan personen of groepen van personen, die buiten Nederland de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang hebben verkregen, tot de uitoefening van de diergeneeskunde toelaten.
2. Aan de toelating kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend.
3. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn de krachtens het eerste lid toegelaten personen met dierenartsen gelijkgesteld.
4. Alvorens een beslissing op grond van het eerste lid wordt genomen, wordt de faculteit der diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht gehoord, tenzij de toelating voortvloeit uit verplichtingen opgelegd op grond van internationale overeenkomsten.
5. Degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst ( <em>Stb.</em>1954, 572) zijn toegelaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde, worden geacht onder dezelfde voorwaarden te zijn toegelaten krachtens het eerste lid van dit artikel.
2. Aan de toelating kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend.
3. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn de krachtens het eerste lid toegelaten personen met dierenartsen gelijkgesteld.
4. Alvorens een beslissing op grond van het eerste lid wordt genomen, wordt de faculteit der diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht gehoord, tenzij de toelating voortvloeit uit verplichtingen opgelegd op grond van internationale overeenkomsten.
5. Degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst ( <em>Stb.</em>1954, 572) zijn toegelaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde, worden geacht onder dezelfde voorwaarden te zijn toegelaten krachtens het eerste lid van dit artikel.