1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen D, E, F en Q, van de Wet meer zekerheid flexwerkers een arbeidsovereenkomst bestaat die kwalificeert als oproepovereenkomst als bedoeld in
artikel 628a, negende en tiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip, geldt deze arbeidsovereenkomst met ingang van datzelfde tijdstip als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 628ab, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij op het tijdstip van inwerkingtreding:
a. het op grond van de artikelen 628ac, vijfde, zevende of negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in samenhang gelezen met het eerste lid van dat artikel, dan wel artikel 691, zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is toegestaan om af te wijken van artikel 628, eerste lid, of 628aa, eerste of tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
b. de arbeidsovereenkomst voldoet aan de voorwaarden van artikel 628ab, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Voor arbeidsovereenkomsten die op grond van het eerste lid komen te gelden als arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 628ab van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, doet de werkgever voor de toepassing van artikel 628ab, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor het eerst een aanbod 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde onderdelen.
3. Bij toepassing van het eerste lid geldt dat de minimale arbeidsomvang gelijk is aan de gemiddelde omvang van de verrichtte arbeid in de 12 voorafgaande maanden of, indien de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd dan een tijdvak van 12 maanden, dan is de minimale arbeidsomvang gelijk aan het aantal uur verrichtte arbeid gemiddeld over de oorspronkelijk overeengekomen resterende duur van de arbeidsovereenkomst.
Voor de berekening van de periode van 12 maanden, bedoeld in de vorige zin, worden arbeidsovereenkomsten, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld.
4. De
artikelen 667, vierde lid,
668a, eerste lid, en
691, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel M, onderdeel N, subonderdeel 1, en onderdeel Q, subonderdelen 3 en 5, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treden, blijven van toepassing op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd respectievelijk uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd die zijn aangegaan voorafgaand aan dit tijdstip.
5.
Artikel 668a, eerste, vijfde en zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel N, subonderdelen 2 en 3, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treedt, blijft van toepassing op een op dat moment geldende collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan waarin aan
artikel 668a, vijfde of zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, toepassing is gegeven voor zover het arbeidsovereenkomsten betreft waarop deze op dat moment van toepassing was, voor de duur van de looptijd van de collectieve arbeidsovereenkomst of regeling, maar ten hoogste gedurende twaalf maanden na die inwerkingtreding.
6.
Artikel 691, achtste lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel Q, subonderdeel 5, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treedt, blijft van toepassing op uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd die zijn aangegaan voorafgaand aan dit tijdstip.