Wetboek van Koophandel
Algemeene bepaling
Boek Eerste
Van den koophandel in het algemeen
titel Eerste
Van kooplieden en van daden van koophandel
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
titel Tweede
Vervallen.
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
titel Derde
Van de vennootschap onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of "en commandite" genaamd
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
2. Handelingen welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn, of tot welke de vennooten volgens de overeenkomst onbevoegd zijn, worden onder deze bepaling niet begrepen.
Artikel 18
Artikel 19
2. Eene vennootschap kan alzoo te gelijker tijd zijn eene vennootschap onder eene firma, ten aanzien van de vennooten onder de firma, en eene vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van den geldschieter.
3. De vennootschap bij wijze van geldschieting heeft geen in aandelen verdeeld kapitaal.
Artikel 20
2. Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht eener volmagt.
3. Hij draagt niet verder in de schade dan ten beloope der gelden, welke hij in de vennootschap heeft ingebragt of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer tot teruggave van genotene winsten verpligt zij.
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 30
2. De bepaling van het eerste lid van art. 20is niet toepasselijk, indien de afgetredene, van vennoot onder eene firma, vennoot bij wijze van geldschieting is geworden.
Artikel 31
Artikel 32
2. Indien de stemmen staken beschikt de rechtbank, zoodanig als zij in het belang der ontbondene vennootschap meest geraden zal achten.
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Artikel 50
Artikel 51
Artikel 52
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 57
Artikel 58
titel Vierde
Van beurzen van koophandel en tussenpersonen
afdeeling Eerste
Van beurzen van koophandel
Artikel 59
Artikel 60
2. Deze onderscheidene koersen of prijzen worden volgens plaatselijke reglementen of gebruiken opgemaakt.
Artikel 61
afdeeling Tweede
Van tussenpersonen
Artikel 62
a. zijn bedrijf maakt van het verlenen van bemiddeling bij het totstandbrengen en het sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in een vaste dienstbetrekking staat,
b. beherend vennoot van een vennootschap of bestuurder van een rechtspersoon is die haar bedrijf maakt van het verrichten van de in onderdeel a genoemde handelingen, of
c. in arbeidsovereenkomst staande tot een persoon, vennootschap of rechtspersoon als bedoeld in dit artikel, namens zijn werkgever de in onderdeel a genoemde handelingen verricht.
2. Het in het eerste lid bedoelde bedrijf kan mede omvatten het bemonsteren en waarderen van goederen en het uitbrengen van deskundigenberichten.
Artikel 63
Artikel 63a
Artikel 63b
Artikel 63c
Artikel 63cc
Artikel 63d
Artikel 63e
Artikel 64
Artikel 65
Artikel 65a
Artikel 65b
Artikel 65c
Artikel 66
Artikel 66a
Artikel 66b
Artikel 67
Artikel 67a
Artikel 68
Artikel 68a
Artikel 68b
2. De rechter kan aan een tussenpersoon de overlegging van het door hem bewaarde monster in rechte bevelen teneinde dit te bezichtigen en hij kan daaromtrent zijn toelichting vorderen.
Artikel 69
Artikel 70
Artikel 71
Artikel 72
Artikel 73
afdeling Derde
Van de agentuurovereenkomst
Artikel 74
Artikel 74a
Artikel 74b
Artikel 74c
Artikel 74d
Artikel 74e
Artikel 74f
Artikel 74g
Artikel 74h
Artikel 74i
Artikel 74j
Artikel 74k
Artikel 74l
Artikel 74m
Artikel 74n
Artikel 74o
Artikel 74p
Artikel 74q
Artikel 74r
Artikel 74s
afdeling Vierde
Van de handelsreizigersovereenkomst
Artikel 75
Artikel 75a
Artikel 75b
Artikel 75c
titel Vijfde
Van commissionairs
Artikel 76
Artikel 77
Artikel 78
Artikel 79
Artikel 80
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 85a
Artikel 86
Artikel 87
Artikel 88
Artikel 89
Artikel 90
Artikel 91
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 94
Artikel 95
Artikel 96
Artikel 97
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 99a
titel Zesde
Van wisselbrieven en orderbriefjes
afdeeling Eerste
Van de uitgifte en den vorm van den wisselbrief
Artikel 100
1°. de benaming "wisselbrief", opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
3°. den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);
4°. de aanwijzing van den vervaldag;
5°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
6°. den naam van dengene, aan wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
7°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is getrokken;
8°. de handteekening van dengene, die den wisselbrief uitgeeft (trekker).
Artikel 101
2. De wisselbrief, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
3. Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie des betrokkenen.
4. De wisselbrief, welke niet de plaats aanwijst, waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.
Artikel 102
2. Hij kan worden getrokken op den trekker zelf.
3. Hij kan worden getrokken voor rekening van eenen derde. De trekker wordt geacht voor zijne eigene rekening te hebben getrokken, indien uit den wisselbrief of uit den adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is geschied.
Artikel 102a
2. Bij een zoodanigen wisselbrief kunnen de wisselschuldenaren aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den trekker zouden kunnen worden tegengeworpen.
3. De opdracht, vervat in een incasso-wisselbrief, eindigt niet door den dood of de latere onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 103
Artikel 104
2. De rentevoet moet in den wisselbrief worden aangegeven. Bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.
3. De rente loopt te rekenen van de dagteekening van den wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.
Artikel 105
2. De wisselbrief, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de kleinste som.
Artikel 106
Artikel 107
Artikel 108
2. Hij kan zijne verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule, waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet-geschreven gehouden.
Artikel 109
Artikel 109a
Artikel 109b
Artikel 109c
afdeeling Tweede
Van het endossement
Artikel 110
2. Indien de trekker in den wisselbrief de woorden: "niet aan order" of een soortgelijke uitdrukking heeft opgenomen, kan het stuk slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone cessie. Een op zulk een wisselbrief geplaatst endossement geldt als een gewone cessie.
3. Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordeele van den betrokkene, al of niet acceptant, van den trekker, of van elken anderen wisselschuldenaar. Deze personen kunnen den wisselbrief opnieuw endosseeren.
Artikel 111
2. Het gedeeltelijke endossement is nietig.
3. Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
Artikel 112
2. Het endossement kan den geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van den wisselbrief of op het verlengstuk worden gesteld.
Artikel 113
2. Indien het endossement in blanco is, kan de houder:
1°. het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een anderen persoon;
2°. den wisselbrief wederom in blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
3°. den wisselbrief aan eenen derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseeren.
Artikel 114
2. Hij kan een nieuw endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.
Artikel 115
2. Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van den wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het voorgaande lid aangegeven, niet verplicht den wisselbrief af te geven, indien hij deze te goeder trouw heeft verkregen.
Artikel 116
Artikel 117
2. De wisselschuldenaren kunnen in dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
3. De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 118
2. De wisselschuldenaren kunnen den houder de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot den endossant, niet tegenwerpen, tenzij de houder bij de ontvangst van den wisselbrief desbewust ten nadeele van den schuldenaar heeft gehandeld.
Artikel 119
2. Behoudens tegenbewijs wordt het endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van den termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.
afdeeling Derde
Van de acceptatie
Artikel 120
Artikel 121
2. Hij kan in den wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens in wisselbrieven, betaalbaar bij eenen derde, of betaalbaar in een andere plaats dan die van het domicilie des betrokkenen of betaalbaar een zekeren tijd na zicht.
3. Hij kan ook bepalen, dat de aanbieding ter acceptatie niet kan plaats hebben vóór een bepaalden dag.
4. Tenzij de trekker heeft verklaard, dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, kan elke endossant, al dan niet met vaststelling van eenen termijn, bepalen, dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.
Artikel 122
2. De trekker kan dezen termijn verkorten of verlengen.
3. De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.
Artikel 123
2. De houder is niet verplicht, den ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan den betrokkene af te geven.
Artikel 124
2. Wanneer de wisselbrief betaalbaar is een zekeren tijd na zicht, of wanneer hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalden termijn, moet de acceptatie als dagteekening inhouden den dag, waarop zij is geschied, tenzij de houder dien van de aanbieding eischt. Bij gebreke van dagteekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en op den trekker, die fonds heeft bezorgd.
Artikel 125
2. Elke andere wijziging, door den acceptant met betrekking tot het in den wisselbrief vermelde aangebracht, geldt als weigering van acceptatie. De acceptant is echter gehouden overeenkomstig den inhoud zijner acceptatie.
Artikel 126
2. Indien de wisselbrief betaalbaar is aan het domicilie des betrokkenen, kan deze, in de acceptatie, een adres aanwijzen, in dezelfde plaats, waar de betaling moet worden gedaan.
Artikel 127
2. Bij gebreke van betaling heeft de houder, al ware hij de trekker, tegen den acceptant een rechtstreeksche vordering, uit den wisselbrief voortspruitend, voor al hetgeen kan worden gevorderd krachtens de artikelen 147en 148.
Artikel 127a
Artikel 127b
2. Deze schade bestaat in de kosten van protest en herwissel, wanneer de wisselbrief voor des trekkers eigene rekening was getrokken.
3. Wanneer de trekking voor rekening van eenen derde was gedaan, bestaat de schade in de kosten van protest en herwissel, en in het beloop van hetgeen de trekker, uit hoofde van de bekomene toezegging van den belover, aan dien derde, op het crediet van den wisselbrief, heeft voorgeschoten.
Artikel 127c
Artikel 127d
Artikel 128
2. Indien echter de betrokkene van zijne acceptatie schriftelijk heeft doen blijken aan den houder of aan iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, is hij tegenover dezen gehouden overeenkomstig den inhoud van zijne acceptatie.
afdeeling Vierde
Van het aval
Artikel 129
2. Deze borgtocht kan door eenen derde, of zelfs door iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, worden gegeven.
Artikel 130
2. Het wordt uitgedrukt door de woorden: "goed voor aval" of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door den avalgever onderteekend.
3. De enkele handteekening van den avalgever, gesteld op de voorzijde van den wisselbrief, geldt als aval, behalve wanneer de handteekening die is van den betrokkene of van den trekker.
4. Het kan ook geschieden bij een afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats, waar het is gegeven.
5. In het aval moet worden vermeld, voor wien het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor den trekker te zijn gegeven.
Artikel 131
2. Zijne verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek, de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
3. Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens den wisselbrief kunnen worden uitgeoefend tegen dengene, voor wien het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover dezen krachtens den wisselbrief verbonden zijn.
afdeeling Vijfde
Van den vervaldag
Artikel 132
op zicht;
op een zekeren tijd na zicht;
op een zekeren tijd na dagteekening;
op een bepaalden dag.
2. Wisselbrieven met anders bepaalde vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.
Artikel 133
2. De trekker kan voorschrijven, dat een wisselbrief niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een bepaalden dag. In dat geval loopt de termijn van aanbieding van dien dag af.
Artikel 134
2. Bij gebreke van protest wordt de niet-gedagteekende acceptatie ten aanzien van den acceptant geacht te zijn gedaan op den laatsten dag van den termijn, voor de aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.
Artikel 135
2. Bij eenen wisselbrief, getrokken op een of meer maanden en een halve maand na dagteekening of na zicht, worden eerst de geheele maanden gerekend.
3. Is de vervaldag bepaald op het begin, het midden (half Januari, half Februari enz.) of op het einde van eene maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan: de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.
4. Onder de uitdrukkingen: "acht dagen", "vijftien dagen", moet worden verstaan niet ééne of twee weken, maar een termijn van acht of van vijftien dagen.
5. De uitdrukking "halve maand" duidt eenen termijn van vijftien dagen aan.
Artikel 136
2. De dag van uitgifte van eenen wisselbrief, getrokken tusschen twee plaatsen met verschillende tijdrekening en betaalbaar een zekeren tijd na dagteekening, wordt herleid tot den overeenkomstigen dag van de tijdrekening van de plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig vastgesteld.
3. De termijnen van aanbieding der wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid.
4. Dit artikel is niet van toepassing, indien uit eene in den wisselbrief opgenomen clausule of uit zijne bewoordingen een afwijkende bedoeling kan worden afgeleid.
afdeeling Zesde
Van de betaling
Artikel 137
2. De aanbieding van eenen wisselbrief aan eene verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling. Bij algemeenen maatregel van bestuur zullen de instellingen worden aangewezen, die in den zin van dezen Titel als verrekeningskamers worden beschouwd.
Artikel 138
2. De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.
3. In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen, dat van die betaling op den wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.
Artikel 139
2. De betrokkene, die vóór den vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.
3. Hij, die op den vervaldag betaalt, is deugdelijk gekweten, mits er zijnerzijds geen bedrog plaats heeft of grove schuld aanwezig is. Hij is gehouden, de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handteekening der endossanten te onderzoeken.
4. Indien hij, niet bevrijdend betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen, heeft hij verhaal op allen die de wissel niet te goeder trouw hebben verkregen.
Artikel 140
2. De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in den wisselbrief voorgeschreven koers.
3. Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).
4. Indien het bedrag van den wisselbrief is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming, maar eene verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.
Artikel 141
afdeeling Zevende
Van het recht van regres in geval van non-acceptatie of non-betaling
Artikel 142
Op den vervaldag:
indien de betaling niet heeft plaats gehad;
2. Zelfs vóór den vervaldag:
1°. indien de acceptatie geheel of gedeeltelijk is geweigerd;
2°. in geval van faillissement van den betrokkene, al of niet acceptant, of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en van het oogenblik af, waarop eene hem verleende surséance van betaling is ingegaan;
3°. in geval van faillissement van den trekker of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van een niet voor acceptatie vatbaren wisselbrief.
Artikel 143
2. Het protest van non-acceptatie moet worden opgemaakt binnen de termijnen, voor de aanbieding ter acceptatie vastgesteld. Indien, in het geval bij artikel 123, lid 1, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaats gehad op den laatsten dag van den termijn, kan het protest nog op den volgenden dag worden gedaan.
3. Het protest van non-betaling van eenen wisselbrief, betaalbaar op een bepaalden dag of zekeren tijd na dagteekening of na zicht, moet worden gedaan op éénen der twee werkdagen, volgende op den dag, waarop de wisselbrief betaalbaar is. Indien het eenen wisselbrief, betaalbaar op zicht, betreft, moet het protest worden gedaan, overeenkomstig de bepalingen bij het voorgaande lid vastgesteld voor het opmaken van het protest van non-acceptatie.
4. Het protest van non-acceptatie maakt de aanbieding ter betaling en het protest van non-betaling overbodig.
5. In geval van benoeming van bewindvoerders op verzoek van den betrokkene, al of niet acceptant, tot surséance van betaling kan de houder zijn recht van regres niet uitoefenen, dan nadat de wisselbrief ter betaling aan den betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.
6. Indien de betrokkene, al of niet acceptant, is failliet verklaard, of indien de trekker van eenen wisselbrief, welke niet vatbaar is voor acceptatie, is failliet verklaard, kan de houder, voor de uitoefening van zijn recht van regres, volstaan met overlegging van het vonnis, waarbij het faillissement is uitgesproken.
7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing indien de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Artikel 143a
2. Indien de wisselbrief getrokken is om in eene andere aangewezene woonplaats of door eenen anderen aangewezen persoon, hetzij in dezelfde, hetzij in eene andere gemeente te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan den aangewezen persoon.
3. Artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingis van overeenkomstige toepassing.
Artikel 143b
2. De protesten behelzen:
1°. een letterlijk afschrift van den wisselbrief, van de acceptatie, van de endossementen, van het aval en van de adressen daarop gesteld;
2°. de vermelding dat zij de acceptatie of betaling aan de personen, of ter plaatse in het voorgaand artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;
3°. de vermelding van de opgegevene reden van non-acceptatie of non-betaling;
4°. de aanmaning om het protest te teekenen, en de redenen van weigering;
5°. de vermelding, dat hij, deurwaarder, wegens die non-acceptatie of non-betaling heeft geprotesteerd.
3. Indien het protest een vermisten wisselbrief betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder 1°. van het voorgaande lid, eene zoo nauwkeurig mogelijke omschrijving van den inhoud des wisselbriefs.
Artikel 143c
Artikel 143d
Artikel 144
2. Indien overeenkomstig het voorgaande lid eene kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen denzelfden termijn aan diens avalgever worden gedaan.
3. Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan den voorafgaanden endossant.
4. Hij, die eene kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iederen vorm, zelfs door enkele terugzending van den wisselbrief.
5. Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen den vastgestelden termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, die de kennisgeving behelst, binnen den genoemden termijn ter post is bezorgd.
6. Hij, die de kennisgeving niet binnen den bovenvermelden termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht; hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom kan te boven gaan.
Artikel 145
2. Deze clausule ontslaat den houder niet van de aanbieding van den wisselbrief binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming der termijnen moet worden geleverd door dengene, die zich daarop tegenover den houder beroept.
3. Is de clausule door den trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen; is zij door eenen endossant of door eenen avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor dezen endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door den trekker gestelde clausule, toch protest doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijne rekening. Indien de clausule van eenen endossant of eenen avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest, indien dit is opgemaakt, op allen, wier handteekeningen op den wisselbrief voorkomen, worden verhaald.
Artikel 146
2. De houder kan deze personen, zoowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.
3. Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handteekening op den wisselbrief voorkomt en die dezen, ter voldoening aan zijnen regresplicht, heeft betaald.
4. De vordering, ingesteld tegen éénen der wisselschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.
Artikel 146a
2. Indien de wisselbrief niet is geaccepteerd, behooren die penningen, bij faillissement van den trekker of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, aan diens boedel.
3. In geval van acceptatie, blijft het fonds, tot het beloop van den wisselbrief, aan den betrokkene, behoudens de verplichting van dezen om jegens den houder aan zijne acceptatie te voldoen.
Artikel 147
1°. de som van den niet-geaccepteerden of niet betaalden wisselbrief met de rente, zoo deze bedongen is;
2°. de wettelijke rente, te rekenen van de vervaldag, voor wissels die in Nederland uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de vervaldag, voor alle overige wissels;
3°. de kosten van protest, die van de gedane kennisgevingen alsmede de andere kosten.
2. Zoo de uitoefening van het recht van regres vóór den vervaldag plaats heeft, wordt op de wisselsom eene korting toegepast. Deze korting wordt berekend volgens het officiëele disconto (bankdisconto), geldende ter woonplaats van den houder, op den dag van de uitoefening van het recht van regres.
Artikel 148
1°. het geheele bedrag, dat hij betaald heeft;
2°. de wettelijke rente, te rekenen van de dag der betaling, voor wissels die in Nederland uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige wissels;
3°. de door hem gemaakte kosten.
Artikel 149
2. Elke endossant, die ter voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief heeft betaald, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
Artikel 150
Artikel 151
2. De herwissel omvat, behalve de bedragen in de artikelen 147en 148aangegeven, de bedragen van provisie en het zegel van den herwissel.
3. Indien de herwissel door den houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens den koers van eenen zichtwissel, getrokken van de plaats, waar de oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van den regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door eenen endossant, wordt het bedrag bepaald volgens den koers van eenen zichtwissel, getrokken van de woonplaats van den trekker van den herwissel op de woonplaats van den regresplichtige.
Artikel 152
voor de aanbieding van eenen wisselbrief getrokken op zicht of zekeren tijd na zicht;
voor het opmaken van het protest van non-acceptatie of van non-betaling;
voor de aanbieding ter betaling in geval van beding zonder kosten,
vervalt het recht van den houder tegen de endossanten, tegen den trekker, en tegen de andere wisselschuldenaren, met uitzondering van den acceptant.
2. Bij gebreke van aanbieding ter acceptatie binnen den door den trekker voorgeschreven termijn, vervalt het recht van regres van den houder, zoowel wegens non-betaling als wegens non-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen van den wisselbrief blijkt, dat de trekker zich slechts heeft willen bevrijden van zijne verplichting, voor de acceptatie in te staan.
3. Indien de bepaling van eenen termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, kan alleen de endossant daarop een beroep doen.
Artikel 152a
2. Was de wisselbrief niet geaccepteerd, dan is, ingeval van niet tijdig protest, de trekker, op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden, verplicht, den houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van den wisselbrief; en hij moet aan den houder, te diens koste, de noodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zijn de curatoren onderscheidenlijk de bewindvoerders in zijnen boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware deze mochten verkiezen, den houder als schuldeischer, voor het beloop van den wisselbrief, toe te laten.
Artikel 153
2. De houder is verplicht, van de overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze kennisgeving gedagteekend en onderteekend op den wisselbrief of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 144toepasselijk.
3. Na het ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld den wisselbrief ter acceptatie of ter betaling aanbieden en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest doen opmaken.
4. Indien de overmacht meer dan dertig dagen, te rekenen van den vervaldag, aanhoudt, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest noodig is.
5. Voor wisselbrieven, getrokken op zicht of op zekeren tijd na zicht, loopt de termijn van dertig dagen van den dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van den aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijnen endossant heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekeren tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met den zichttermijn, in den wisselbrief aangegeven.
6. Feiten, welke voor den houder, of voor dengene, dien hij met de aanbieding van den wisselbrief of met het opmaken van het protest belastte, van zuiver persoonlijken aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.
afdeeling Achtste
Van de tusschenkomst
1
Algemeene bepalingen
Artikel 154
2. Onder de hierna vastgestelde voorwaarden kan de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door iemand, die tusschenkomt voor eenen schuldenaar, op wien recht van regres kan worden uitgeoefend.
3. De interveniënt kan een derde zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens den wisselbrief verbonden persoon, behalve de acceptant.
4. De interveniënt geeft binnen den termijn van twee werkdagen van zijne tusschenkomst kennis aan dengene, voor wien hij tusschenkwam. In geval van niet-inachtneming van dien termijn is hij, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de wisselsom kan te boven gaan.
2
Acceptatie bij tusschenkomst
Artikel 155
2. Wanneer op den wisselbrief iemand is aangewezen om dezen, in geval van nood, ter plaatse van betaling te accepteeren of te betalen, kan de houder zijn recht tegen dengene, die de aanwijzing heeft gedaan en tegen hen, die daarna hunne handteekeningen op den wisselbrief hebben geplaatst, niet vóór den vervaldag uitoefenen, tenzij hij den wisselbrief aan den aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.
3. In de andere gevallen van tusschenkomst kan de houder de acceptatie bij tusschenkomst weigeren. Indien hij haar echter aanneemt, verliest hij zijn recht van regres, hetwelk hem vóór den vervaldag toekomt tegen dengene, voor wien de acceptatie is gedaan, en tegen hen, die daarna hunne handteekeningen op den wisselbrief hebben geplaatst.
Artikel 156
Artikel 157
2. Niettegenstaande de acceptatie bij tusschenkomst kunnen degene, voor wien zij werd gedaan en degenen, die tegenover dezen regresplichtig zijn, van den houder, indien daartoe aanleiding bestaat, tegen terugbetaling van de bij artikel 147aangewezen som, de afgifte van den wisselbrief, van het protest en van een voor voldaan geteekende rekening vorderen.
3
Betaling bij tusschenkomst
Artikel 158
2. De betaling moet de geheele som beloopen, welke degene, voor wien zij heeft plaats gehad, moest voldoen.
3. Zij moet plaats hebben uiterlijk op den dag volgende op den laatsten dag, waarop het protest van non-betaling kan worden opgemaakt.
Artikel 159
2. Bij gebreke van protest binnen dien termijn zijn degene, die het noodadres heeft gesteld of voor wien de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van hunne verbintenis bevrijd.
Artikel 160
Artikel 161
2. De wisselbrief en het protest, indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem, die bij tusschenkomst betaalt.
Artikel 162
2. De endossanten, volgende op dengene, voor wien de betaling heeft plaats gehad, zijn bevrijd.
3. Indien zich meer personen tot de betaling bij tusschenkomst aanbieden, heeft de voorkeur de betaling, welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De interveniënt, die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest zijn recht van regres tegen hen, die anders zouden zijn bevrijd.
afdeeling Negende
Van wisselexemplaren, wisselafschriften en vermiste wisselbrieven
1
Wisselexemplaren
Artikel 163
2. Die exemplaren moeten in den tekst zelf van den titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke wisselbrief.
3. Iedere houder van eenen wisselbrief, waarin niet is vermeld, dat deze in een enkel exemplaar getrokken is, kan op zijne kosten de levering van meer exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn onmiddellijken endossant wenden, die verplicht is zijne medewerking te verleenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zoo vervolgens, teruggaande tot den trekker. De endossanten zijn verplicht, de endossementen ook op de nieuwe exemplaren aan te brengen.
Artikel 164
2. De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hunne handteekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.
Artikel 165
2. Weigert hij dit, dan kan de houder slechts zijn recht van regres uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen:
1°. dat het ter acceptatie gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;
2°. dat hij de acceptatie of de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen verkrijgen.
2
Wisselafschriften
Artikel 166
2. Het afschrift moet het oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle andere vermeldingen, die er op voorkomen. Het moet aangeven, waar het afschrift ophoudt.
3. Het kan worden geëndosseerd en voor aval geteekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen, als het oorspronkelijke.
Artikel 167
2. Weigert hij dit, dan kan de houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben geëndosseerd of voor aval geteekend, slechts uitoefenen, nadat hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.
3. Indien na het laatste daarop geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het oorspronkelijke stuk de clausule draagt: "van hier af geldt het endossement slechts op de copie", of eenige andere soortgelijke clausule, is een nadien op het oorspronkelijk stuk geplaatst endossement nietig.
3
Vermiste wisselbrieven
Artikel 167a
Artikel 167b
afdeeling Tiende
Van veranderingen
Artikel 168
afdeeling Elfde
Van verjaring
Artikel 168a
Artikel 169
2. De rechtsvorderingen van den houder tegen de endossanten en tegen den trekker verjaren door een tijdsverloop van een jaar, te rekenen van de dagteekening van het tijdig opgemaakte protest of, ingeval van de clausule zonder kosten, van den vervaldag.
3. De rechtsvorderingen van de endossanten tegen elkander en tegen den trekker verjaren door tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop de endossant ter voldoening aan zijnen regresplicht den wisselbrief heeft betaald, of van den dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.
4. De in het eerste lid bedoelde verjaring kan niet worden ingeroepen door den acceptant, indien of voor zoover hij fonds heeft ontvangen of zich ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt; evenmin kan de in het tweede en derde lid bedoelde verjaring worden ingeroepen door den trekker, indien of voor zoover hij geen fonds heeft bezorgd noch door den trekker of de endossanten, die zich ongerechtvaardigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 170
2. Op de in het vorige artikel bedoelde verjaringen is artikel 321, eerste lid, onder a-d van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekniet van toepassing; in de gevallen bedoeld in artikel 321, eerste lid, onder b en c, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekheeft de onbekwame of rechthebbende wiens rechtsvordering is verjaard, verhaal op de wettelijke vertegenwoordiger of bewindvoerder.
afdeeling Twaalfde
Algemene bepalingen
Artikel 171
2. Wanneer ééne van die handelingen moet worden verricht binnen een zekeren termijn, waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot den eersten werkdag, volgende op het einde van dien termijn. De tusschenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van den termijn.
Artikel 171a
Artikel 172
Artikel 173
afdeeling Dertiende
Van orderbriefjes
Artikel 174
1°. hetzij de orderclausule, hetzij de benaming "orderbriefje" of "promesse aan order", opgenomen in den tekst zelf, en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
2°. de onvoorwaardelijke belofte een bepaalde som te betalen;
3°. de aanwijzing van den vervaldag;
4°. die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
5°. den naam van dengene, aan wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
6°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar het orderbiljet is onderteekend;
7°. de handteekening van hem, die den titel uitgeeft (onderteekenaar).
Artikel 175
2. Het orderbriefje, waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
3. Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de onderteekening van den titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens de plaats van het domicilie van den onderteekenaar.
4. Het orderbriefje, dat de plaats van zijne onderteekening niet vermeldt, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam van den onderteekenaar.
Artikel 176
het endossement ( artikelen 110-119);
den vervaldag ( artikelen 132-136);
de betaling ( artikelen 137-141);
het recht van regres in geval van non-betaling ( artikelen 142-149, 151-153);
de betaling bij tusschenkomst ( artikelen 154, 158-162);
de wisselafschriften ( artikelen 166en 167);
de vermiste wisselbrieven ( artikel 167a);
de veranderingen ( artikel 168);
de verjaring ( artikelen 168aen 169-170);
de feestdagen, de berekening der termijnen en het verbod van respijtdagen ( artikelen 171, 171a, 172en 173).
2. Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende den wisselbrief, betaalbaar bij eenen derde of in een andere plaats dan die van het domicilie van den betrokkene ( artikelen 103en 126), de renteclausule ( artikel 104), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som, welke moet worden betaald ( artikel 105), de gevolgen van het plaatsen eener handteekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel 106, die van de handteekening van eenen persoon, die handelt zonder bevoegdheid of die zijne bevoegdheid overschrijdt ( artikel 107), en den wisselbrief in blanco ( artikel 109).
3. Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval ( artikelen 129-131); indien overeenkomstig hetgeen is bepaald bij artikel 130, laatste lid, het aval niet vermeldt, voor wien het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van den onderteekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.
Artikel 177
2. De orderbriefjes, betaalbaar zekeren tijd na zicht, moeten ter teekening voor "gezien" aan den onderteekenaar worden aangeboden binnen den bij artikel 122vastgestelden termijn. De zichttermijn loopt van de dagteekening van het visum, hetwelk door den onderteekenaar op het orderbriefje moet worden geplaatst. De weigering van dezen zijn visum te plaatsen, moet worden vastgesteld door een protest ( artikel 124), van welks dagteekening de zichttermijn begint te loopen.
titel Zevende
Van chèques, en van promessen en quitantiën aan toonder
afdeeling Eerste
Van de uitgifte en den vorm van de chèque
Artikel 178
1°. de benaming "chèque", opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;
2°. de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
3°. den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);
4°. de aanwijzing van de plaats, waar de betaling moet geschieden;
5°. de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de chèque is getrokken;
6°. de handteekening van dengene, die de chèque uitgeeft (trekker).
Artikel 179
2. Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing, wordt de plaats, aangegeven naast den naam van den betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling. Indien meerdere plaatsen zijn aangegeven naast den naam van den betrokkene, is de chèque betaalbaar op de eerstaangegeven plaats.
3. Bij gebreke van die aanwijzingen of van iedere andere aanwijzing, is de chèque betaalbaar in de plaats, waar het hoofdkantoor van den betrokkene is gevestigd.
4. De chèque, welke niet de plaats aanwijst, waar zij is getrokken, wordt geacht te zijn onderteekend in de plaats, aangegeven naast den naam des trekkers.
Artikel 180
Artikel 181
Artikel 182
aan een met name genoemden persoon, met of zonder uitdrukkelijke clausule: "aan order";
aan een met name genoemden persoon, met de clausule: "niet aan order", of een soortgelijke clausule;
aan toonder.
2. De chèque, betaalbaar gesteld aan een met name genoemden persoon, met de vermelding: "of aan toonder", of een soortgelijke uitdrukking, geldt als chèque aan toonder.
3. De chèque zonder vermelding van den nemer geldt als chèque aan toonder.
Artikel 183
2. De chèque kan worden getrokken voor rekening van eenen derde. De trekker wordt geacht voor zijn eigene rekening te hebben getrokken, indien uit de chèque of uit den adviesbrief niet blijkt, voor wiens rekening zulks is geschied.
3. De chèque kan op den trekker zelf getrokken worden.
Artikel 183a
2. Bij een zoodanige chèque kunnen de chèqueschuldenaren aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den trekker zouden kunnen worden tegengeworpen.
3. De opdracht, vervat in een incasso-chèque, eindigt niet door dood of latere onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 184
Artikel 185
Artikel 186
2. De chèque, waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten beloope van de kleinste som.
Artikel 187
Artikel 188
Artikel 189
Artikel 190
Artikel 190a
Artikel 190b
afdeeling Tweede
Van de overdracht
Artikel 191
2. De chèque, die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemden persoon met de clausule: "niet aan order", of een soortgelijke clausule, kan slechts worden overgedragen in den vorm en met de gevolgen van een gewone cessie. Een op zulk een chèque geplaatst endossement geldt als een gewone cessie.
3. Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordeele van den trekker of van iederen anderen chèqueschuldenaar. Deze personen kunnen de chèque opnieuw endosseeren.
Artikel 192
2. Het gedeeltelijke endossement is nietig.
3. Eveneens is nietig het endossement van den betrokkene.
4. Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
5. Het endossement aan den betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de betrokkene meer kantoren heeft en wanneer het endossement is gesteld ten voordeele van een ander kantoor dan dat, waarop de chèque is getrokken.
Artikel 193
2. Het endossement kan den geëndosseerde onvermeld laten, of bestaan uit de enkele handteekening van den endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement om geldig te zijn, op de rugzijde van de chèque of op het verlengstuk worden gesteld.
Artikel 194
2. Indien het endossement in blanco is, kan de houder:
1°. het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met den naam van een anderen persoon;
2°. de chèque wederom in blanco of aan een anderen persoon endosseeren;
3°. de chèque aan eenen derde overgeven, zonder het blanco in te vullen, en zonder haar te endosseeren.
Artikel 195
2. Hij kan een nieuw endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen, aan wie de chèque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.
Artikel 196
Artikel 197
Artikel 198
Artikel 199
Artikel 200
2. De chèqueschuldenaren kunnen in dat geval aan den houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen, welke aan den endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
3. De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door den dood of door de latere onbekwaamheid van den lastgever.
Artikel 201
2. Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagteekening geacht te zijn gesteld vóór het protest of de daarmede gelijkstaande verklaringen, of vóór het verstrijken van den in het voorgaande lid bedoelden termijn.
afdeeling Derde
Van het aval
Artikel 202
2. Deze borgtocht kan door eenen derde, behalve door den betrokkene, of zelfs door iemand, wiens handteekening op de chèque voorkomt, worden gegeven.
Artikel 203
2. Het wordt uitgedrukt door de woorden: "goed voor aval", of door een soortgelijke uitdrukking; het wordt door den avalgever onderteekend.
3. De enkele handteekening van den avalgever, gesteld op de voorzijde van de chèque, geldt als aval, behalve wanneer de handteekening die is van den trekker.
4. Het kan ook geschieden bij een afzonderlijk geschrift of bij een brief, vermeldende de plaats, waar het is gegeven.
5. In het aval moet worden vermeld, voor wien het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor den trekker te zijn gegeven.
Artikel 204
2. Zijne verbintenis is geldig, zelfs indien, wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
3. Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten, welke krachtens de chèque kunnen worden uitgeoefend tegen dengene, voor wien het aval is gegeven en tegen degenen, die tegenover dezen krachtens de chèque verbonden zijn.
afdeeling Vierde
Van de aanbieding en van de betaling
Artikel 205
2. De chèque, die ter betaling wordt aangeboden vóór den dag, vermeld als datum van uitgifte, is betaalbaar op den dag van de aanbieding.
Artikel 206
2. De chèque, uitgegeven in het Rijk in Europa en betaalbaar in Nederlandsch-Indië, Suriname of Curaçao, of omgekeerd, moet ter betaling aangeboden worden binnen den tijd van zeventig dagen.
3. De chèque, die uitgegeven is in een ander land dan dat, waar zij betaalbaar is, moet worden aangeboden binnen een termijn, hetzij van twintig dagen, hetzij van zeventig dagen, naar gelang de plaats van uitgifte en de plaats van betaling gelegen zijn in hetzelfde of in een ander werelddeel.
4. Te dien aanzien worden de chèques, uitgegeven in een land in Europa en betaalbaar in een kustland van de Middellandsche Zee of omgekeerd, beschouwd als uitgegeven en betaalbaar in hetzelfde werelddeel.
5. De bovengenoemde termijnen beginnen te loopen van den dag, op de chèque als datum van uitgifte vermeld.
Artikel 207
Artikel 208
2. Bij algemeenen maatregel van bestuur zullen de instellingen worden aangewezen, die in den zin van dezen Titel als verrekeningskamers worden beschouwd.
Artikel 209
2. Indien geene herroeping plaats heeft, kan de betrokkene zelfs na het einde van dien termijn betalen.
Artikel 210
Artikel 211
2. De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.
3. In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen, dat van die betaling op de chèque melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.
Artikel 212
2. Indien hij, niet bevrijdend betaald hebbende, verplicht wordt, ten tweede male te betalen, heeft hij verhaal op allen die de cheque niet te goeder trouw hebben verkregen.
Artikel 213
2. De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter voorschrijven, dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de chèque voorgeschreven koers.
3. Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft voorgeschreven, dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).
4. Indien het bedrag van de chèque is aangegeven in geld, hetwelk dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt men vermoed het geld van de plaats van betaling te hebben bedoeld.
afdeeling Vijfde
Van de gekruiste chèque en van de verrekeningschèque
Artikel 214
2. De kruising geschiedt door het plaatsen van twee evenwijdige lijnen op de voorzijde van de chèque. Zij kan algemeen zijn of bijzonder.
3. De kruising is algemeen, indien zij tusschen de twee lijnen geen enkele aanwijzing bevat, of wel de vermelding: "bankier", of een soortgelijk woord; zij is bijzonder, indien de naam van eenen bankier voorkomt tusschen de twee lijnen.
4. De algemeene kruising kan worden veranderd in een bijzondere, maar de bijzondere kruising kan niet worden veranderd in een algemeene.
5. De doorhaling van de kruising of van den naam van den aangewezen bankier wordt geacht niet te zijn geschied.
Artikel 215
2. Eene chèque met bijzondere kruising kan door den betrokkene slechts worden betaald aan den aangewezen bankier of, indien deze de betrokkene is, slechts aan een zijner cliënten. Echter kan de aangegeven bankier de chèque ter incasseering aan een anderen bankier overdragen.
3. Een bankier mag een gekruiste chèque slechts in ontvangst nemen van een van zijne cliënten of van een anderen bankier. Hij mag haar niet innen voor rekening van andere personen dan deze.
4. Een chèque, welke meer dan één bijzondere kruising draagt, mag door den betrokkene slechts worden betaald, indien er niet meer dan twee kruisingen zijn, waarvan de ééne strekt tot inning door eene verrekeningskamer.
5. De betrokkene of de bankier, die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de chèque.
Artikel 216
2. In dat geval mag de chèque den betrokkene slechts aanleiding geven tot eene boeking (rekening-courant, giro of schuldvergelijking). De boeking geldt als betaling.
3. De doorhaling van de vermelding: "in rekening te brengen" wordt geacht niet te zijn geschied.
4. De betrokkene, die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de chèque.
afdeeling Zesde
Van het recht van regres in geval van non-betaling
Artikel 217
1°. hetzij door een authentieke akte (protest);
2°. hetzij door eene verklaring van den betrokkene, gedagteekend en geschreven op de chèque onder vermelding van den dag van aanbieding;
3°. hetzij door een gedagteekende verklaring van eene verrekeningskamer, waarbij vastgesteld wordt, dat de chèque tijdig aangeboden en niet betaald is.
Artikel 217a
2. In geval van niet tijdig protest of niet tijdige met protest gelijkstaande verklaring is de trekker, op straffe van tot vrijwaring te zijn gehouden, verplicht, den houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem op den dag der aanbieding heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van de chèque; en hij moet aan den houder, te diens koste, de noodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zijn de curatoren onderscheidenlijk de bewindvoerders in zijnen boedel tot dezelfde verplichtingen gehouden, ten ware deze mochten verkiezen, den houder als schuldeischer, voor het beloop van de chèque, toe te laten.
Artikel 218
2. Indien de aanbieding plaats heeft op den laatsten dag van den termijn, kan het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring op den eerstvolgenden werkdag worden gedaan.
Artikel 218a
2. Indien de chèque getrokken is om in een andere aangewezen woonplaats of door een anderen aangewezen persoon, hetzij in dezelfde, hetzij in een andere gemeente te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan den aangewezen persoon.
3. Artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingis van overeenkomstige toepassing.
Artikel 218b
2. Het protest behelst:
1°. een letterlijk afschrift van de chèque, van de endossementen, van het aval en van de adressen daarop gesteld;
2°. de vermelding dat zij de betaling aan de personen, of ter plaatse in het voorgaand artikel gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;
3°. de vermelding van de opgegeven reden van non-betaling;
4°. de aanmaning om het protest te teekenen, en de redenen van weigering;
5°. de vermelding, dat hij, deurwaarder, wegens die non-betaling heeft geprotesteerd.
3. Indien het protest een vermiste chèque betreft, volstaat, in plaats van het bepaalde onder 1°. van het voorgaande lid, een zoo nauwkeurig mogelijke omschrijving van den inhoud der chèque.
Artikel 218c
Artikel 219
2. Indien overeenkomstig het voorgaande lid eene kennisgeving is gedaan aan iemand, wiens handteekening op de chèque voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen denzelfden termijn aan diens avalgever worden gedaan.
3. Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan den voorafgaanden endossant.
4. Hij, die eene kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iederen vorm, zelfs door enkele terugzending van de chèque.
5. Hij moet bewijzen, dat hij de kennisgeving binnen den vastgestelden termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief, die de kennisgeving behelst, binnen den genoemden termijn ter post is bezorgd.
6. Hij, die de kennisgeving niet binnen den bovenvermelden termijn doet, stelt zich niet bloot aan verval van zijn recht, hij is, indien daartoe aanleiding bestaat, verantwoordelijk voor de schade, door zijne nalatigheid veroorzaakt, zonder dat echter de schadevergoeding de chèquesom kan te boven gaan.
Artikel 220
2. Deze clausule ontslaat den houder niet van de aanbieding van de chèque binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming der termijnen moet worden geleverd door dengene, die zich daarop tegenover den houder beroept.
3. Is de clausule door den trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen, wier handteekeningen op de chèque voorkomen; is zij door eenen endossant of door eenen avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen voor dezen endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door den trekker gestelde clausule, toch de weigering van betaling doet vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, zijn de kosten daarvan voor zijne rekening. Indien de clausule van eenen endossant of eenen avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest of van de daarmede gelijkstaande verklaring, indien een akte van dien aard is opgesteld, op allen, wier handteekeningen op de chèque voorkomen, worden verhaald.
Artikel 221
2. De houder kan deze personen, zoowel ieder afzonderlijk, als gezamenlijk, aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde, waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.
3. Hetzelfde recht komt toe aan ieder, wiens handteekening op de chèque voorkomt en die deze, ter voldoening aan zijnen regresplicht, heeft betaald.
4. De vordering, ingesteld tegen éénen der chèqueschuldenaren, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.
Artikel 221a
2. Bij faillissement van den trekker of indien ten aanzien van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard behooren die penningen aan diens boedel.
Artikel 222
1°. de som van de niet betaalde chèque;
2°. de wettelijke rente, te rekenen van de dag der aanbieding, voor chèques die in Nederland uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der aanbieding, voor alle overige chèques;
3°. de kosten van protest of van de daarmede gelijkstaande verklaring, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.
Artikel 223
1°. het geheele bedrag, dat hij betaald heeft;
2°. de wettelijke rente, te rekenen van de dag der betaling, voor chèques die in Nederland uitgegeven en betaalbaar zijn, en een rente van zes ten honderd, te rekenen van de dag der betaling, voor alle overige chèques;
3°. de door hem gemaakte kosten.
Artikel 224
2. Elke endossant, die ter voldoening aan zijnen regresplicht, de chèque heeft betaald, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
Artikel 225
2. De houder is verplicht van de overmacht onverwijld aan zijnen endossant kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagteekend en onderteekend op de chèque of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel 219toepasselijk.
3. Na ophouden van de overmacht moet de houder onverwijld de chèque ter betaling aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, de weigering van betaling doen vaststellen door protest of een daarmede gelijkstaande verklaring.
4. Indien de overmacht meer dan vijftien dagen aanhoudt, te rekenen van den dag, waarop de houder, al ware het vóór het einde van den aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijnen endossant heeft kennis gegeven, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest of de daarmede gelijkstaande verklaring noodig zijn.
5. Feiten, welke voor den houder of voor dengene, dien hij met de aanbieding van de chèque of met het opmaken van het protest of de daarmede gelijkstaande verklaring belastte, van zuiver persoonlijken aard zijn, worden niet beschouwd als gevallen van overmacht.
afdeeling Zevende
Van chèque-exemplaren en vermiste chèques
Artikel 226
Artikel 227
2. De endossant, die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden wegens alle exemplaren, die hunne handteekening dragen en die niet zijn uitgeleverd.
Artikel 227a
Artikel 227b
afdeeling Achtste
Van veranderingen
Artikel 228
afdeeling Negende
Van verjaring
Artikel 228a
Artikel 229
2. De regresvorderingen van de verschillende chèqueschuldenaren tegen elkander, die gehouden zijn tot de betaling van eene chèque, verjaren door een tijdsverloop van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop de chèqueschuldenaar ter voldoening aan zijnen regresplicht de chèque heeft betaald, of van den dag, waarop hij zelf in rechte is aangesproken.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde verjaring kan niet worden ingeroepen door den trekker, indien of voor zoover hij geen fonds heeft bezorgd noch door den trekker of de endossanten, die zich ongerechtvaardigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 229a
2. Op de in het vorige artikel bedoelde verjaringen is artikel 321, eerste lid, onder a-d van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekniet van toepassing; in de gevallen bedoeld in artikel 321, eerste lid, onder b en c, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekheeft de onbekwame of rechthebbende, wiens rechtsvordering is verjaard, verhaal op de wettelijke vertegenwoordiger of bewindvoerder.
afdeeling Tiende
Algemeene bepalingen
Artikel 229abis
Artikel 229b
2. Wanneer de laatste dag van den termijn, door de wet gesteld voor het verrichten van handelingen nopens de chèque, met name voor de aanbieding en voor het opmaken van het protest of een daarmede gelijkstaande verklaring, een wettelijke feestdag is, wordt deze termijn verlengd tot den eersten werkdag, volgende op het einde van dien termijn. De tusschenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van den termijn.
Artikel 229bbis
Artikel 229c
Artikel 229d
Artikel 229dbis
afdeeling Elfde
Van quitantiën en promessen aan toonder
Artikel 229e
Artikel 229f
Artikel 229g
2. De oorspronkelijke uitgever is, op straffe van voortduring van zijne verantwoordelijkheid, verpligt den houder af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de persoon, op wien het papier is afgegeven van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks ten beloope van het uitgegeven papier; en hij moet aan den houder, te diens koste, de noodige bewijzen verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de oorspronkelijke uitgever in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zijn de curatoren onderscheidenlijk de bewindvoerders in zijnen boedel tot dezelfde verpligtingen gehouden, ten ware deze mogten verkiezen, den houder als schuldeischer, ten beloope van het uitgegeven papier, toe te laten.
Artikel 229h
Artikel 229i
2. Indien bij de promesse de dag is uitgedrukt op welken dezelve betaalbaar is, begint de termijn van drie dagen eerst te loopen daags na den uitgedrukten betaaldag.
Artikel 229j
Artikel 229k
2. De in het vorig lid bedoelde verjaring kan niet worden ingeroepen door den uitgever, indien of voor zoover hij geen fonds heeft bezorgd noch door den uitgever of door hen, die buiten den oorspronkelijken uitgever het papier in betaling hebben gegeven, voor zoover ze zich ongeregtvaardigd zouden hebben verrijkt; alles onverminderd het bepaalde in artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Op de in dit artikel genoemde verjaringen is het tweede lid van art. 229avan toepassing.
titel Achtste
Van reclame of terugvordering in geval van faillissement
Artikel 230
Artikel 231
Artikel 232
Artikel 233
Artikel 234
Artikel 235
Artikel 236
Artikel 237
Artikel 238
Artikel 239
Artikel 240
Artikel 241
Artikel 242
Artikel 243
Artikel 244
Artikel 245
titel Negende
Van assurantie of verzekering in het algemeen
Artikel 246
Artikel 247
Artikel 248
Artikel 249
Artikel 250
Artikel 251
Artikel 252
Artikel 253
Artikel 254
Artikel 255
Artikel 256
Artikel 257
Artikel 258
Artikel 259
Artikel 260
Artikel 261
Artikel 262
Artikel 263
Artikel 264
Artikel 265
Artikel 266
Artikel 267
Artikel 268
Artikel 269
Artikel 270
Artikel 271
Artikel 272
Artikel 273
Artikel 274
Artikel 275
Artikel 276
Artikel 277
Artikel 278
Artikel 279
Artikel 280
Artikel 281
Artikel 282
Artikel 283
Artikel 284
Artikel 285
Artikel 286
titel Tiende
Van verzekering tegen de gevaren van brand, tegen die waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn, en van levensverzekering
afdeeling Eerste
Van verzekering tegen gevaren van brand
Artikel 287
Artikel 288
Artikel 289
Artikel 290
Artikel 291
Artikel 292
Artikel 293
Artikel 294
Artikel 295
Artikel 296
Artikel 297
Artikel 298
afdeeling Tweede
Van verzekering tegen de gevaren waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn
Artikel 299
Artikel 300
Artikel 301
afdeeling Derde
Van levensverzekering
Artikel 302
Artikel 303
Artikel 304
Artikel 305
Artikel 306
Artikel 307
Artikel 308
Boek Tweede
Van de regten en verpligtingen uit scheepvaart voortspruitende
Algemeene Bepaling
Artikel 309
titel Eerste
Van zeeschepen
Artikel 310
Artikel 311
Artikel 311a
Artikel 311b
Artikel 312
Artikel 313
Artikel 314
Artikel 315
Artikel 316
Artikel 317
Artikel 318
Artikel 318a
Artikel 318b
Artikel 318c
Artikel 318d
Artikel 318e
Artikel 318f
Artikel 318g
Artikel 318h
Artikel 318i
Artikel 318j
Artikel 318k
Artikel 318l
Artikel 318m
Artikel 318n
Artikel 318o
Artikel 318p
Artikel 318q
Artikel 318r
Artikel 318s
Artikel 318t
Artikel 318u
Artikel 318v
Artikel 319
Artikel 319a
Artikel 319b
titel Tweede
Artikel 320
Artikel 321
Artikel 322
Artikel 323
Artikel 324
Artikel 325
Artikel 326
Artikel 327
Artikel 328
Artikel 329
Artikel 330
Artikel 331
Artikel 332
Artikel 333
Artikel 334
Artikel 335
Artikel 336
Artikel 337
Artikel 338
Artikel 339
Artikel 340
Artikel 340a
Artikel 340b
Artikel 340c
Artikel 340d
Artikel 340e
Artikel 340f
Artikel 340g
titel Derde
Van den kapitein
Artikel 341
Artikel 341a
Artikel 341b
Artikel 342
Artikel 343
2. Hij onderneemt de reis niet, tenzij het schip tot het volvoeren daarvan geschikt, naar behooren uitgerust en voldoende bemand is.
Artikel 344
Artikel 345
Artikel 346
Artikel 347
den zeebrief, den meetbrief en een uittreksel uit de registratie voor schepen als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwetvermeldende tenminste de gegevens, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f, g en j, van die wet, alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige aantekeningen, met dien verstande dat, ingeval dat uittreksel meer dan één dag vóór die van het laatste vertrek van het schip uit een Nederlandse haven is afgegeven, op dat uittreksel een verklaring van de bewaarder van het kadaster en de openbare registers moet voorkomen dat sedert de afgifte de op dat uittreksel vermelde gegevens blijkens de stukken, ingeschreven in de desbetreffende openbare registers tot op de dag vóór die van het vertrek, geen wijziging hebben ondergaan;
het manifest der lading, de charter-partij en de cognossementen, dan wel afschriften van die stukken;
de Nederlandsche wetten en reglementen op de reis van toepassing, en alle verdere noodige papieren.
2. Ten aanzien van de charter-partij en de cognossementen geldt deze verplichting niet in de door Ons te omschrijven omstandigheden.
Artikel 348
2. De kapitein van een schip, dat door mechanische kracht wordt voortbewogen, zorgt bovendien, dat door een lid van het machinekamer-personeel een machine-dagboek wordt gehouden.
Artikel 349
2. De dagboeken worden, zo mogelijk, dagelijks bijgehouden, gedagtekend en door de kapitein en de zeevarende, die hij met het houden van het boek heeft belast, ondertekend.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het inrichten van de dagboeken.
Artikel 350
Artikel 351
Artikel 352
Artikel 353
2. Indien het schip of de zaken aan boord schade hebben geleden of eenig buitengewoon voorval heeft plaats gehad, is de kapitein verplicht binnen 48 uren na aankomst, in de plaats van aankomst of in een nabijgelegen plaats althans eene voorloopige verklaring te doen opmaken. Eene voorloopige verklaring moet binnen acht dagen door eene volledige verklaring worden gevolgd.
3. De kapitein heeft zich te wenden in het Koninkrijk buiten Europa tot het bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk tot den Nederlandschen consulairen ambtenaar of, bij ontstentenis van zoodanigen ambtenaar, tot het bevoegde gezag.
4. De notaris is verplicht van scheepsverklaringen tegen betaling der kosten afschrift uit te reiken aan ieder die het verlangt.
Artikel 354
2. Met den Zondag worden gelijkgesteld de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paasch- en Pinksterdagen, de beide Kerstdagen en de Hemelvaartsdag.
Artikel 355
Artikel 356
Artikel 357
Artikel 358
Artikel 358a
2. Hij is bovendien verplicht, voor zooverre hem dit mogelijk is, aan de andere bij de aanvaring betrokken schepen op te geven den naam van zijn schip, van de haven waar het thuis behoort en van de havens van waar het komt en waarheen het bestemd is.
3. Niet-nakoming van deze verplichtingen door den kapitein geeft geen aanspraak tegen hem, die uit welken hoofde dan ook verantwoordelijk is voor het optreden van de kapitein.
Artikel 358b
2. De kosten hiervan zijn voor rekening van den Staat. De vaststelling dier kosten geschiedt op den grondslag door Ons te bepalen.
Artikel 359
Artikel 360
Artikel 361
Artikel 362
Artikel 363
Artikel 364
Artikel 365
Artikel 366
Artikel 367
Artikel 368
Artikel 369
Artikel 370
Artikel 371
Artikel 371a
Artikel 372
Artikel 373
Artikel 374
2. Aan boord moeten aanwezig zijn een uittreksel uit de registratie voor schepen als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwetvermeldende tenminste de gegevens, bedoeld in artikel 85, tweede lid, onder a, c, d, e, f, g en j, van die wet, alsmede de gegevens omtrent niet doorgehaalde voorlopige aantekeningen, welk uittreksel op een zodanig tijdstip moet zijn afgegeven door de bewaarder van het kadaster en de openbare registers dat de daarin vermelde gegevens overeenstemmen met die welke in de registratie voor schepen ten aanzien van het betrokken schip staan vermeld ten tijde van het uitvaren van dat schip, en de wetten en reglementen op deze schepen van toepassing.
Artikel 375
Artikel 376
Artikel 377
Artikel 378
Artikel 379
Artikel 380
Artikel 381
Artikel 382
Artikel 383
Artikel 384
Artikel 385
Artikel 386
Artikel 387
Artikel 388
Artikel 389
Artikel 390
Artikel 391
Artikel 392
Artikel 392a
titel Vierde
Van de schepelingen
§ 1
Algemeene bepalingen
Artikel 393
Artikel 394
Artikel 395
§ 2
Van de arbeidsovereenkomst tot de vaart ter zee
Artikel 396
Artikel 397
Artikel 398
Artikel 399
Artikel 400
Artikel 401
Artikel 402
Artikel 403
Artikel 404
Artikel 405
Artikel 406
Artikel 407
Artikel 408
Artikel 409
Artikel 410
Artikel 411
Artikel 412
Artikel 413
Artikel 414
Artikel 415
Artikel 415a
Artikel 415b
Artikel 415c
Artikel 415d
Artikel 415e
Artikel 415f
Artikel 415g
Artikel 415h
Artikel 415i
Artikel 416
Artikel 417
Artikel 418
Artikel 419
Artikel 420
Artikel 421
Artikel 422
Artikel 423
Artikel 424
Artikel 425
Artikel 426
Artikel 427
Artikel 428
Artikel 429
Artikel 430
Artikel 431
Artikel 432
Artikel 433
Artikel 434
Artikel 435
Artikel 436
Artikel 437
Artikel 438
Artikel 439
Artikel 440
Artikel 441
Artikel 442
Artikel 443
Artikel 444
Artikel 445
Artikel 446
Artikel 447
Artikel 448
Artikel 449
Artikel 450
Artikel 450a
Artikel 450aa
Artikel 450b
Artikel 450c
Artikel 450d
§ 3
Van de monsterrol en het monsterboekje
Artikel 450e
Artikel 451
Artikel 451a
Artikel 451b
Artikel 451c
Artikel 451d
Artikel 451e
Artikel 451f
Artikel 451g
Artikel 451h
Artikel 451i
Artikel 451j
§ 4
Van de schepelingen ter visscherij
Artikel 452
§ 5
Van de schepelingen ter zeevisserij die een arbeidsovereenkomst met de zeewerkgever hebben gesloten
Artikel 452a
Artikel 452b
Artikel 452c
Artikel 452d
Artikel 452e
Artikel 452f
Artikel 452g
Artikel 452h
Artikel 452i
Artikel 452j
Artikel 452k
Artikel 452l
Artikel 452m
Artikel 452n
Artikel 452o
Artikel 452p
§ 6
Van de kapitein en de schepelingen ter zeevisserij die een maatschapsovereenkomst hebben gesloten
Artikel 452q
Artikel 452r
Artikel 452s
Artikel 452t
Artikel 452u
Artikel 452v
Artikel 452w
titel Vijfde
Van vervrachting en bevrachting van schepen
§ 1
Algemeene bepalingen
Artikel 453
Artikel 454
Artikel 455
Artikel 456
Artikel 457
Artikel 458
Artikel 459
Artikel 459a
§ 2
Tijd-bevrachting
Artikel 460
Artikel 461
Artikel 462
Artikel 463
Artikel 464
Artikel 465
Vijfde titel A
Van het vervoer van goederen
§ 1
Algemeene bepalingen
Artikel 466
Artikel 467
Artikel 467a
Artikel 468
Artikel 469
Artikel 469a
Artikel 469b
Artikel 470
Artikel 470a
Artikel 471
Artikel 472
Artikel 473
Artikel 473a
Artikel 474
Artikel 475
Artikel 476
Artikel 477
Artikel 478
Artikel 479
Artikel 480
Artikel 481
Artikel 482
Artikel 483
Artikel 484
Artikel 485
Artikel 486
Artikel 487
Artikel 488
Artikel 489
Artikel 490
Artikel 491
Artikel 492
Artikel 493
Artikel 494
Artikel 495
Artikel 496
Artikel 497
Artikel 498
Artikel 499
Artikel 500
Artikel 501
Artikel 502
Artikel 503
Artikel 504
Artikel 505
Artikel 506
Artikel 507
Artikel 508
Artikel 509
Artikel 510
Artikel 511
Artikel 512
Artikel 513
Artikel 513a
Artikel 514
Artikel 515
Artikel 516
Artikel 517
Artikel 517a
Artikel 517b
Artikel 517c
Artikel 517d
§ 2
Vaste lijnen
Artikel 517e
Artikel 517f
Artikel 517g
Artikel 517h
Artikel 517i
Artikel 517j
Artikel 517k
Artikel 517l
Artikel 517m
Artikel 517n
Artikel 517o
Artikel 517p
Artikel 517q
Artikel 517r
Artikel 517s
Artikel 517t
Artikel 517u
Artikel 517ubis
Artikel 517v
Artikel 517w
Artikel 517x
Artikel 517ij
§ 3
Tijd-bevrachting
Artikel 517z
Artikel 518
Artikel 518a
Artikel 518b
Artikel 518c
Artikel 518d
Artikel 518e
Artikel 518f
Artikel 518g
§ 4
Reis-bevrachting
Artikel 518h
Artikel 518i
Artikel 518j
Artikel 518k
Artikel 518l
Artikel 518m
Artikel 518n
Artikel 518o
Artikel 518p
Artikel 518q
Artikel 518r
Artikel 518s
Artikel 518t
Artikel 518u
Artikel 518v
Artikel 518w
Artikel 518x
Artikel 518ij
Artikel 518z
Artikel 519
Artikel 519a
Artikel 519b
Artikel 519c
Artikel 519d
Artikel 519e
Artikel 519f
Artikel 519g
Artikel 519h
Artikel 519i
Artikel 519j
Artikel 519k
Artikel 519l
Artikel 519m
Artikel 519n
Artikel 519o
Artikel 519p
Artikel 519q
Artikel 519r
Artikel 519s
Artikel 519t
Artikel 519u
Artikel 519v
Artikel 519w
Artikel 519x
Artikel 519ij
Artikel 519z
Artikel 520
Artikel 520a
Artikel 520abis
Artikel 520b
Artikel 520c
Artikel 520d
Artikel 520e
Artikel 520f
§ 5
Vervoer van stukgoederen
Artikel 520g
Artikel 520h
Artikel 520i
Artikel 520j
Artikel 520k
Artikel 520l
Artikel 520m
Artikel 520n
Artikel 520o
Artikel 520p
Artikel 520q
Artikel 520r
Artikel 520s
Artikel 520t
Vijfde titel B
Van het vervoer van personen
§ 1
Algemeene bepalingen
Artikel 521
Artikel 522
Artikel 523
Artikel 524
Artikel 524a
Artikel 524b
Artikel 525
Artikel 526
Artikel 527
Artikel 528
Artikel 529
Artikel 530
Artikel 531
Artikel 532
Artikel 533
Artikel 533a
Artikel 533b
Artikel 533c
§ 2
Vaste lijnen
Artikel 533d
Artikel 533e
Artikel 533f
Artikel 533g
Artikel 533h
Artikel 533i
Artikel 533j
Artikel 533k
Artikel 533l
Artikel 533m
Artikel 533mbis
§ 3
Tijd-bevrachting
Artikel 533n
Artikel 533o
Artikel 533p
§ 4
Reis-bevrachting
Artikel 533q
Artikel 533r
Artikel 533s
Artikel 533t
Artikel 533u
§ 5
Vervoer van enkele personen
Artikel 533v
Artikel 533w
Artikel 533x
Artikel 533ij
Artikel 533z
titel Zesde
Van aanvaring
Artikel 534
Artikel 535
Artikel 536
Artikel 536a
Artikel 537
Artikel 538
Artikel 539
Artikel 540
Artikel 541
Artikel 542
Artikel 543
Artikel 544
Artikel 544a
titel Zevende
Van hulp en berging
Artikel 545
Artikel 546
Artikel 547
Artikel 548
Artikel 549
Artikel 550
Artikel 551
Artikel 552
Artikel 553
Artikel 554
Artikel 555
Artikel 556
Artikel 557
Artikel 558
Artikel 559
Artikel 560
Artikel 561
Artikel 562
Artikel 563
Artikel 564
Artikel 565
Artikel 566
Artikel 567
Artikel 568
Artikel 569
Artikel 570
Artikel 571
Artikel 572
Artikel 573
Artikel 574
Artikel 575
Artikel 576
titel Achtste
Van bodemerij
Artikel 577
Artikel 578
Artikel 579
Artikel 580
Artikel 581
Artikel 582
Artikel 583
Artikel 584
Artikel 585
Artikel 586
Artikel 587
Artikel 588
Artikel 589
Artikel 590
Artikel 591
titel Negende
Van verzekering tegen de gevaren der zee en die der slavernij
afdeeling Eerste
Van den vorm en den inhoud der verzekering
Artikel 592
Artikel 593
Artikel 594
Artikel 595
Artikel 596
Artikel 597
Artikel 598
Artikel 599
Artikel 600
Artikel 601
Artikel 602
Artikel 603
Artikel 604
Artikel 605
Artikel 606
Artikel 607
Artikel 608
Artikel 609
Artikel 610
Artikel 611
Artikel 612
Artikel 613
Artikel 614
Artikel 615
Artikel 616
Artikel 617
Artikel 618
afdeeling Tweede
Van de begrooting der verzekerde voorwerpen
Artikel 619
Artikel 620
Artikel 621
Artikel 622
Artikel 623
afdeeling Derde
Van het begin en het einde van het gevaar
Artikel 624
Artikel 625
Artikel 626
Artikel 627
Artikel 628
Artikel 629
Artikel 630
Artikel 631
Artikel 632
Artikel 633
Artikel 634
afdeeling Vierde
Van de regten en pligten van den verzekeraar en den verzekerde
Artikel 635
Artikel 636
Artikel 637
Artikel 638
Artikel 639
Artikel 640
Artikel 641
Artikel 642
Artikel 643
Artikel 644
Artikel 645
Artikel 646
Artikel 647
Artikel 648
Artikel 649
Artikel 650
Artikel 651
Artikel 652
Artikel 653
Artikel 654
Artikel 655
Artikel 656
Artikel 657
Artikel 658
Artikel 659
Artikel 660
Artikel 661
Artikel 662
afdeeling Vijfde
Van abandonnement
Artikel 663
Artikel 664
Artikel 665
Artikel 666
Artikel 667
Artikel 668
Artikel 669
Artikel 670
Artikel 671
Artikel 672
Artikel 673
Artikel 674
Artikel 675
Artikel 676
Artikel 677
Artikel 678
Artikel 679
Artikel 680
afdeeling Zesde
Van de plichten en rechten van tussenpersonen in zee-assurantiën
Artikel 681
Artikel 682
Artikel 683
Artikel 684
Artikel 685
Artikel 685a
titel Tiende
Van verzekering tegen de gevaren van den vervoer te lande en op binnenwateren
Artikel 686
Artikel 687
Artikel 688
Artikel 689
Artikel 690
Artikel 691
Artikel 692
Artikel 693
Artikel 694
Artikel 695
titel Elfde
Van avarijen
Artikel 696
Artikel 697
Artikel 698
Artikel 699
Artikel 700
Artikel 701
Artikel 702
Artikel 703
Artikel 704
Artikel 705
Artikel 706
Artikel 707
Artikel 708
Artikel 709
Artikel 710
Artikel 711
Artikel 712
Artikel 713
Artikel 714
Artikel 715
Artikel 716
Artikel 717
Artikel 718
Artikel 719
Artikel 720
Artikel 721
Artikel 722
Artikel 723
Artikel 724
Artikel 725
Artikel 726
Artikel 727
Artikel 728
Artikel 729
Artikel 730
Artikel 731
Artikel 732
Artikel 733
Artikel 734
Artikel 735
Artikel 736
Artikel 737
Artikel 738
Artikel 739
Artikel 740
Elfde titel A
Van de beperking der aansprakelijkheid
Artikel 740a
Artikel 740b
Artikel 740c
Artikel 740d
Artikel 740e
Artikel 740f
Artikel 740g
Artikel 740h
Artikel 740i
Artikel 740j
titel Twaalfde
Van het te niet gaan der verbindtenissen in den zeehandel
Artikel 741
Artikel 742
Artikel 743
Artikel 744
Artikel 745
Artikel 746
Artikel 747
titel Dertiende
Van de binnenvaart
afdeling Eerste
Binnenschepen en voorwerpen aan boord daarvan
§ 1
Rechten op binnenschepen
Artikel 748
Artikel 749
Artikel 750
Artikel 751
Artikel 752
Artikel 753
Artikel 754
Artikel 755
Artikel 756
Artikel 757
Artikel 758
Artikel 759
Artikel 760
Artikel 761
Artikel 762
Artikel 763
Artikel 764
Artikel 765
Artikel 765a
Artikel 765b
Artikel 765c
Artikel 765d
Artikel 765e
Artikel 765f
Artikel 765g
Artikel 765h
Artikel 765i
Artikel 765j
Artikel 765k
Artikel 765l
Artikel 765m
Artikel 765n
§ 2
Voorrechten op binnenschepen
Artikel 766
Artikel 767
Artikel 768
Artikel 769
Artikel 770
Artikel 771
Artikel 772
Artikel 773
Artikel 774
§ 3
Voorrechten op voorwerpen aan boord van binnenschepen
Artikel 775
Artikel 775a
Artikel 775b
Artikel 775c
Artikel 775d
Artikel 775e
Artikel 775f
Artikel 776
Artikel 777
Artikel 778
Artikel 779
afdeeling Tweede
Van den eigenaar en den gebruiker van een binnenschip
Artikel 780
Artikel 781
afdeeling Derde
Van den schipper en de schepelingen
Artikel 782
2. Hij onderneemt de reis niet, tenzij het schip tot het volvoeren daarvan geschikt, naar behooren uitgerust en voldoende bemand is.
Artikel 783
2. De notaris en de consulaire ambtenaar zijn verplicht van scheepsverklaringen tegen betaling van kosten afschrift uit te reiken aan ieder, die het verlangt.
Artikel 784
Artikel 785
2. Hij is bovendien verplicht, voor zooverre hem dit mogelijk is, aan de andere bij de aanvaring betrokken schepen op te geven den naam van zijn schip, van de plaats, waar het thuis behoort, van de plaats, vanwaar het komt en waarheen het bestemd is, alsmede inzage te verstrekken van het bewijs van inschrijving in het register.
3. Niet-nakoming van deze verplichtingen door den schipper geeft geen aanspraak jegens hem, die uit welken hoofde dan ook verantwoordelijk is voor het optreden van de schipper.
Artikel 786
Artikel 787
afdeeling Vierde
Van vervrachting en bevrachting van binnenschepen in het algemeen
Artikel 788
Artikel 789
Artikel 790
Artikel 791
Artikel 791a
Artikel 792
Artikel 793
Artikel 794
Artikel 795
Artikel 796
Artikel 797
Artikel 798
Artikel 799
Artikel 800
Artikel 801
Artikel 802
Artikel 803
Artikel 804
Artikel 805
Artikel 806
Artikel 807
Artikel 808
afdeeling Vijfde
Van het vervoer van goederen
§ 2
Beurtvaart
Artikel 855
Artikel 856
Artikel 857
Artikel 858
Artikel 859
Artikel 860
Artikel 861
Artikel 862
Artikel 863
Artikel 864
Artikel 865
Artikel 866
Artikel 867
Artikel 868
Artikel 869
Artikel 870
Artikel 871
Artikel 872
Artikel 873
§ 3
Reisbevrachting
Artikel 874
Artikel 875
Artikel 876
Artikel 877
Artikel 878
Artikel 879
Artikel 880
Artikel 881
Artikel 882
Artikel 883
Artikel 884
Artikel 885
Artikel 886
Artikel 887
Artikel 888
Artikel 889
Artikel 890
Artikel 891
Artikel 892
Artikel 893
Artikel 894
Artikel 895
Artikel 896
Artikel 897
Artikel 898
Artikel 899
Artikel 900
Artikel 901
Artikel 902
Artikel 903
Artikel 904
Artikel 905
Artikel 906
§ 4
Bevrachting voor liggen en/of varen
Artikel 907
Artikel 908
Artikel 909
Artikel 910
Artikel 911
Artikel 912
Artikel 913
Artikel 914
Artikel 915
Artikel 916
Artikel 917
Artikel 918
afdeeling Zesde
Van het vervoer van personen
Artikel 919
Artikel 920
Artikel 921
Artikel 921a
Artikel 922
Artikel 923
Artikel 924
afdeeling Zevende
Van het sleepen van binnenschepen
Artikel 925
Artikel 926
Artikel 927
Artikel 928
Artikel 929
Artikel 930
Artikel 931
Artikel 931a
Artikel 932
Artikel 933
Artikel 934
Artikel 935
afdeeling Achtste
Van aanvaring
Artikel 936
Artikel 937
Artikel 938
Artikel 939
Artikel 940
Artikel 940a
Artikel 941
Artikel 942
Artikel 943
Artikel 944
Artikel 945
Artikel 946
Artikel 947
Artikel 948
Artikel 949
afdeeling Negende
Van hulp en berging
Artikel 950
afdeeling Tiende
Van avarijen
Artikel 951
Afdeling 10A
Van de beperking der aansprakelijkheid
Artikel 951a
Artikel 951b
Artikel 951c
Artikel 951d
Artikel 951e
Artikel 951f
Artikel 951g
afdeeling Elfde
Van verjaring en verval
Artikel 952
Artikel 953
Artikel 954
Artikel 955
Artikel 956
Artikel 957
Algemene slotbepaling
Artikel 958
van het eerste boek:
Artikel 82 tweede lid, Titel IV derde en vierde afdeling en de Titels VI en VII;
van het tweede boek:
de Titels III, IV en Titel IX derde afdeling.
Zij is echter wel van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 419 en 451e.