BWBR0002565
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 58
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
1. De instellingen bedoeld in de Koninklijke besluiten van 26 december 1818, <em>Stb.</em>48, 2 december 1823, <em>Stb.</em>49, en 12 februari 1829, <em>Stb.</em>3, zijn stichtingen vanaf het tijdstip van in werking treden van <a href="/wet/BWBR0003045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Boek 2</a>.
2. Het bestuur van een in het eerste lid genoemde stichting is verplicht een notariële akte te laten verlijden waarin de statuten zijn opgenomen.
3. De notaris verlijdt deze akte niet voordat Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de in de akte op te nemen statuten.
4. De akte moet voldoen aan de vereisten van <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/286" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 286, lid 2, eerste en derde zin, en de leden 3 en 4 van Boek 2</a>. De tweede zin van artikel 57, lid 1, en de leden 2 en 3 van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Totdat aan de verplichting van het tweede lid is voldaan blijven op de stichting van toepassing de in het eerste lid genoemde Koninklijke besluiten, met uitzondering, voor zover op bestuurders betrekking hebbend, van artikel 1, tweede zin, artikel 15, tweede lid, en artikel 26 van het Koninklijk besluit van 2 december 1823.
2. Het bestuur van een in het eerste lid genoemde stichting is verplicht een notariële akte te laten verlijden waarin de statuten zijn opgenomen.
3. De notaris verlijdt deze akte niet voordat Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de in de akte op te nemen statuten.
4. De akte moet voldoen aan de vereisten van <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/286" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 286, lid 2, eerste en derde zin, en de leden 3 en 4 van Boek 2</a>. De tweede zin van artikel 57, lid 1, en de leden 2 en 3 van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Totdat aan de verplichting van het tweede lid is voldaan blijven op de stichting van toepassing de in het eerste lid genoemde Koninklijke besluiten, met uitzondering, voor zover op bestuurders betrekking hebbend, van artikel 1, tweede zin, artikel 15, tweede lid, en artikel 26 van het Koninklijk besluit van 2 december 1823.