BWBR0002565
Geldig vanaf 01-01-2028
Artikel 229
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
1. Voor de werknemer die diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat in de gevallen dat de diensten worden betaald uit een Zvw-pgb als bedoeld in artikel 13a van de Zorgverzekeringswet, of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg, artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet blijft, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, gelden dat:
a. artikel 228, lid 1, niet van toepassing is;
b. artikel 628ab van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is;
c. artikel 628ac, leden 5 tot en met 9, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is; en
d. voor de toepassing van artikel 667, vierde lid, en 668a, eerste lid, voor «36 maanden» wordt gelezen «zes maanden».
2. Het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid, is niet eerder dan 2030.
3. De voordracht voor het koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd. Indien de Tweede Kamer der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na dat besluit een nieuw ontwerp aan de Tweede Kamer worden overgelegd.
a. artikel 228, lid 1, niet van toepassing is;
b. artikel 628ab van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is;
c. artikel 628ac, leden 5 tot en met 9, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is; en
d. voor de toepassing van artikel 667, vierde lid, en 668a, eerste lid, voor «36 maanden» wordt gelezen «zes maanden».
2. Het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid, is niet eerder dan 2030.
3. De voordracht voor het koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd. Indien de Tweede Kamer der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na dat besluit een nieuw ontwerp aan de Tweede Kamer worden overgelegd.
- Citeren als
- Art. 229
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002565
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl