1. De behandelende arts of de gemeentelijke lijkschouwer doet zo spoedig mogelijk na de afgifte van de verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 12, opgave van de doodsoorzaak en de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De opgave van de doodsoorzaak geschiedt met gebruikmaking van het in het vierde lid bedoelde formulier.
2. Bij de opgave wordt het burgerservicenummer van de overledene vermeld indien de overledene op het moment van overlijden was ingeschreven in de basisregistratie personen, bedoeld in
artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen. Bij een kind jonger dan één maand waarvan het burgerservicenummer nog niet bekend is of bij een doodgeborene wordt het burgerservicenummer van de moeder vermeld.
3. In afwijking van het eerste lid, wordt, indien een lijk wordt begraven, gecremeerd, ontleed, gebalsemd of aan een andere conserverende bewerking wordt onderworpen krachtens een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 12, de opgave van de doodsoorzaak gedaan door een arts, aangewezen door de officier van justitie.
4. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt een formulier vast voor de opgave van de doodsoorzaak.
5. Indien het Centraal Bureau voor de Statistiek krachtens
artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de elektronische weg openstelt voor het doen van de opgave van de doodsoorzaak, schrijft zij daartoe een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronische verzending voor.
6. Elektronische verzending van de opgave van de doodsoorzaak aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, geschiedt slechts op de door haar voorgeschreven wijze.
7. In afwijking van
artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtkan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de in het zesde lid bedoeld elektronische verzending bij regeling voorschrijven.