BWBR0002565
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 18
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
1. Een kind dat, naar de vóór het tijdstip van in werking treden van <a href="/wet/BWBR0002656" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Boek 1</a>geldende voorschriften, met zijn moeder niet in burgerlijke betrekkingen stond, staat van dat tijdstip af van rechtswege onder voogdij van de moeder, mits deze daartoe op dat tijdstip bevoegd is en tenzij voordien een ander tot voogd benoemd was.
2. De moeder van een kind, als in het eerste lid bedoeld, die op het aldaar genoemde tijdstip onbevoegd was tot de voogdij over het kind, verkrijgt deze voogdij van rechtswege, indien deze openstaat op het tijdstip, waarop zij daartoe bevoegd wordt.
3. Indien op het in het eerste lid genoemde tijdstip de voogdij niet openstaat, kan de tot de voogdij bevoegde moeder de kantonrechter verzoeken haar tot voogdes te benoemen; op een zodanig verzoek is <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/287" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 287 leden 4 en 5 van Boek 1</a>van toepassing.
2. De moeder van een kind, als in het eerste lid bedoeld, die op het aldaar genoemde tijdstip onbevoegd was tot de voogdij over het kind, verkrijgt deze voogdij van rechtswege, indien deze openstaat op het tijdstip, waarop zij daartoe bevoegd wordt.
3. Indien op het in het eerste lid genoemde tijdstip de voogdij niet openstaat, kan de tot de voogdij bevoegde moeder de kantonrechter verzoeken haar tot voogdes te benoemen; op een zodanig verzoek is <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/287" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 287 leden 4 en 5 van Boek 1</a>van toepassing.