BWBR0046622
Geldig vanaf 2025-09-08
Artikel 1.11
Subsidieregeling ESF+ 2021–2027
1. De volgende kostensoorten komen voor subsidie in aanmerking:
a. externe kosten;
b. directe loonkosten, voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 37,5% van het brutoloon en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 bij een voltijds dienstverband;
c. kosten voor opleidingsvouchers, op voorwaarde dat: 1°. de deelnemer een positief opleidingsadvies heeft ontvangen van de verstrekker van de opleidingsvoucher;
2°. de deelnemer vrij is in de keuze bij welke opleider de opleiding, genoemd in het opleidingsadvies, wordt afgenomen;
3°. de subsidiabele kosten worden bepaald op basis van de daadwerkelijk aan de deelnemers of aan de opleiders uitbetaalde bedragen voor opleidingskosten;
4°. de datum van afronding van de opleiding binnen de projectperiode valt en de opleiding niet is gestart vóór 14 september 2022.
1°. de deelnemer een positief opleidingsadvies heeft ontvangen van de verstrekker van de opleidingsvoucher;
2°. de deelnemer vrij is in de keuze bij welke opleider de opleiding, genoemd in het opleidingsadvies, wordt afgenomen;
3°. de subsidiabele kosten worden bepaald op basis van de daadwerkelijk aan de deelnemers of aan de opleiders uitbetaalde bedragen voor opleidingskosten;
4°. de datum van afronding van de opleiding binnen de projectperiode valt en de opleiding niet is gestart vóór 14 september 2022.
2. Activiteiten zijn uitsluitend subsidiabel op basis van directe loonkosten, indien deze zijn uitgevoerd door:
a. de subsidieaanvrager, een begunstigde of een partij in het samenwerkingsverband, bedoeld in de artikelen 2e.7 of 2f.5;
b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5, of een begunstigde;
c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook: 1°. in het bestuur van de subsidieaanvrager zijn vertegenwoordigd;
2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5 zijn vertegenwoordigd; of
3°. in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd;
1°. in het bestuur van de subsidieaanvrager zijn vertegenwoordigd;
2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5 zijn vertegenwoordigd; of
3°. in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd;
d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor: 1°. de subsidieaanvrager;
2°. een partij uit het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2e.7 of 2f.5; of
3°. een begunstigde;
1°. de subsidieaanvrager;
2°. een partij uit het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2e.7 of 2f.5; of
3°. een begunstigde;
e. een organisatie waarin de subsidieaanvrager, een partij uit het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5, of een begunstigde, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of
f. een organisatie waarin zich, overeenkomstig artikel 61 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PbEU 2018, L 193) of anderszins een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het project betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.
3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn daadwerkelijk gemaakt en betaald, waarbij de kosten ten laste van het project zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering of het beheer van het project zijn toe te rekenen.
4. Een subsidie kan de volgende vormen aannemen:
a. vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door een begunstigde en die zijn betaald voor de uitvoering van concrete acties;
b. standaardschalen van eenheidskosten;
c. lump sums;
d. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.
5. De Minister stelt vast welke subsidievorm wordt toegepast, waarbij een combinatie van subsidievormen mogelijk is.
a. externe kosten;
b. directe loonkosten, voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 37,5% van het brutoloon en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 bij een voltijds dienstverband;
c. kosten voor opleidingsvouchers, op voorwaarde dat: 1°. de deelnemer een positief opleidingsadvies heeft ontvangen van de verstrekker van de opleidingsvoucher;
2°. de deelnemer vrij is in de keuze bij welke opleider de opleiding, genoemd in het opleidingsadvies, wordt afgenomen;
3°. de subsidiabele kosten worden bepaald op basis van de daadwerkelijk aan de deelnemers of aan de opleiders uitbetaalde bedragen voor opleidingskosten;
4°. de datum van afronding van de opleiding binnen de projectperiode valt en de opleiding niet is gestart vóór 14 september 2022.
1°. de deelnemer een positief opleidingsadvies heeft ontvangen van de verstrekker van de opleidingsvoucher;
2°. de deelnemer vrij is in de keuze bij welke opleider de opleiding, genoemd in het opleidingsadvies, wordt afgenomen;
3°. de subsidiabele kosten worden bepaald op basis van de daadwerkelijk aan de deelnemers of aan de opleiders uitbetaalde bedragen voor opleidingskosten;
4°. de datum van afronding van de opleiding binnen de projectperiode valt en de opleiding niet is gestart vóór 14 september 2022.
2. Activiteiten zijn uitsluitend subsidiabel op basis van directe loonkosten, indien deze zijn uitgevoerd door:
a. de subsidieaanvrager, een begunstigde of een partij in het samenwerkingsverband, bedoeld in de artikelen 2e.7 of 2f.5;
b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5, of een begunstigde;
c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook: 1°. in het bestuur van de subsidieaanvrager zijn vertegenwoordigd;
2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5 zijn vertegenwoordigd; of
3°. in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd;
1°. in het bestuur van de subsidieaanvrager zijn vertegenwoordigd;
2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5 zijn vertegenwoordigd; of
3°. in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd;
d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor: 1°. de subsidieaanvrager;
2°. een partij uit het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2e.7 of 2f.5; of
3°. een begunstigde;
1°. de subsidieaanvrager;
2°. een partij uit het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2e.7 of 2f.5; of
3°. een begunstigde;
e. een organisatie waarin de subsidieaanvrager, een partij uit het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2e.7 en 2f.5, of een begunstigde, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of
f. een organisatie waarin zich, overeenkomstig artikel 61 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PbEU 2018, L 193) of anderszins een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het project betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.
3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn daadwerkelijk gemaakt en betaald, waarbij de kosten ten laste van het project zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering of het beheer van het project zijn toe te rekenen.
4. Een subsidie kan de volgende vormen aannemen:
a. vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door een begunstigde en die zijn betaald voor de uitvoering van concrete acties;
b. standaardschalen van eenheidskosten;
c. lump sums;
d. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.
5. De Minister stelt vast welke subsidievorm wordt toegepast, waarbij een combinatie van subsidievormen mogelijk is.