BWBR0044646
Geldig vanaf 2021-01-01
Artikel 13
Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024
1. De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 14, op aanvraag een subsidie verstrekken ten behoeve van:
a. een in de Nederlandse taal gegeven cursus voor ouders met minimaal 30 contacturen per ouder; of
b. overige activiteiten gericht op ouders.
2. De cursus, bedoeld in het eerste lid, onder a, is gericht op het vergroten van een of meer taalvaardigheden, een of meer rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden van de ouder en wat de taalvaardigheden betreft de toepassing daarvan in de communicatie met en over diens kind of kinderen. De cursus draagt bij aan het ontwikkelen van een educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en stimuleert een educatief thuismilieu.
3. De overige activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn gericht op:
a. het stimuleren van educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, kinderopvanginstellingen, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, een of meer rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden; of
b. het bevorderen van een educatief thuismilieu en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, een of meer rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden.
4. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer taalvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
5. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer rekenvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid, dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;
6. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid, dan wel één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013.
7. Voor de ouders die deelnemen aan een cursus, stelt de aanvrager het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid van elke ouder vast aan de hand van een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van de cursus afgenomen op basis van een gevalideerd instrument. Indien een schriftelijke of digitale test niet mogelijk is, vanwege het taalniveau dan wel het niveau van de digitale vaardigheden van de ouder, kan de niveaubepaling of niveau-indicatie mondeling worden uitgevoerd, blijkend uit een gespreksverslag. De taaldocent ondertekent het gespreksverslag.
8. De aanvraag wordt ten minste door een gemeente ondersteund en bevat een ondertekende ondersteuningsverklaring van de gemeenten die de aanvraag ondersteunen.
a. een in de Nederlandse taal gegeven cursus voor ouders met minimaal 30 contacturen per ouder; of
b. overige activiteiten gericht op ouders.
2. De cursus, bedoeld in het eerste lid, onder a, is gericht op het vergroten van een of meer taalvaardigheden, een of meer rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden van de ouder en wat de taalvaardigheden betreft de toepassing daarvan in de communicatie met en over diens kind of kinderen. De cursus draagt bij aan het ontwikkelen van een educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en stimuleert een educatief thuismilieu.
3. De overige activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn gericht op:
a. het stimuleren van educatief partnerschap tussen ouder, onderwijsinstelling, kinderopvanginstellingen, instellingen die de jeugdgezondheidszorg uitvoeren en voorschoolse voorzieningen en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, een of meer rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden; of
b. het bevorderen van een educatief thuismilieu en de ontwikkeling van een of meer taalvaardigheden, een of meer rekenvaardigheden of de digitale vaardigheden.
4. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer taalvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden van de Nederlandse taal beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
5. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer rekenvaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid, dan wel een of meer rekenvaardigheden beheersen op een niveau lager dan het referentieniveau 2F, zoals vastgesteld in bijlage 1 behorende bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;
6. Een aanvraag voor een opleiding gericht op het verbeteren van een of meer digitale vaardigheden, kan slechts worden gedaan voor ouders woonachtig in Nederland die een of meer taalvaardigheden beheersen op een referentieniveau lager dan het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid, dan wel één of meer digitale vaardigheden beheersen op een niveau lager dan het Basisniveau 2, zoals vastgesteld in bijlage 8, eindtermen digitale vaardigheden behorende bij de Regeling eindtermen educatie 2013.
7. Voor de ouders die deelnemen aan een cursus, stelt de aanvrager het referentieniveau, bedoeld in het vierde lid van elke ouder vast aan de hand van een actuele individuele niveaubepaling of niveau-indicatie. De niveaubepaling of niveau-indicatie wordt uiterlijk voor de start van de cursus afgenomen op basis van een gevalideerd instrument. Indien een schriftelijke of digitale test niet mogelijk is, vanwege het taalniveau dan wel het niveau van de digitale vaardigheden van de ouder, kan de niveaubepaling of niveau-indicatie mondeling worden uitgevoerd, blijkend uit een gespreksverslag. De taaldocent ondertekent het gespreksverslag.
8. De aanvraag wordt ten minste door een gemeente ondersteund en bevat een ondertekende ondersteuningsverklaring van de gemeenten die de aanvraag ondersteunen.