BWBR0044646
Geldig vanaf 2021-01-01
Artikel 10
Subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024
1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf is:
a. in het kalenderjaar 2021 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 8.800.000,–;
b. in het kalenderjaar 2022 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 2.850.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in Caribisch Nederland;
c. in de kalenderjaren 2023 en 2024 jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 3.300.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in Caribisch Nederland.
2. Indien het subsidieplafond in enig jaar niet hoog genoeg is om alle in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, worden de aanvragen door middel van loting gerangschikt.
3. Indien het subsidieplafond voor 2021 na de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 4, tweede lid, niet is uitgeput, wordt een tweede aanvraagtijdvak opengesteld van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021.
4. Indien het subsidieplafond voor werkgevers in het Europese deel van Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de eerste volzin in het jaar 2022 nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan het subsidieplafond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor dat kalenderjaar.
5. Indien het subsidieplafond voor werkgevers in Caribisch Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor Caribisch Nederland voor activiteiten voor laaggeletterde ouders, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de vorige volzin nog middelen resteren, worden deze toegevoegd aan het budget voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, voor het desbetreffende kalenderjaar.
a. in het kalenderjaar 2021 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 8.800.000,–;
b. in het kalenderjaar 2022 een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 2.850.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in Caribisch Nederland;
c. in de kalenderjaren 2023 en 2024 jaarlijks een bedrag beschikbaar van ten hoogste € 3.300.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in het Europese deel van Nederland en ten hoogste € 50.000,– voor subsidieverstrekking aan werkgevers in Caribisch Nederland.
2. Indien het subsidieplafond in enig jaar niet hoog genoeg is om alle in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, worden de aanvragen door middel van loting gerangschikt.
3. Indien het subsidieplafond voor 2021 na de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 4, tweede lid, niet is uitgeput, wordt een tweede aanvraagtijdvak opengesteld van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021.
4. Indien het subsidieplafond voor werkgevers in het Europese deel van Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de eerste volzin in het jaar 2022 nog middelen resteren, worden deze middelen toegevoegd aan het subsidieplafond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor dat kalenderjaar.
5. Indien het subsidieplafond voor werkgevers in Caribisch Nederland in de jaren 2022, 2023 of 2024 niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor Caribisch Nederland voor activiteiten voor laaggeletterde ouders, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar. Indien na toepassing van de vorige volzin nog middelen resteren, worden deze toegevoegd aan het budget voor het Europese deel van Nederland, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, voor het desbetreffende kalenderjaar.