BWBR0044416
Geldig vanaf 2021-12-19
Artikel 6.6
Tijdelijke regeling maatregelen covid-19
1. Personen van dertien jaar en ouder dragen een mondkapje in gebouwen op luchthavens vanaf de securitycheck, met uitzondering van de daar gelegen besloten plaatsen en in luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, mits het vervoer primair de verplaatsing van de ene naar de andere locatie behelst en het vervoer geen recreatieve activiteit is.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. personen die het vervoer uitvoeren voor zover zij zich in een afgesloten ruimte bevinden ten opzichte van de passagiers;
b. personen die vanwege een beperking of een ziekte geen mondkapje kunnen dragen;
c. begeleiders van personen met een verstandelijke beperking, voor zover deze personen van het door begeleiders dragen van een mondkapje ernstig ontregeld raken, en voor personen die spreken met iemand die vanwege een auditieve beperking moet kunnen spraakafzien;
d. personen in een luchtvaartuig, indien in het luchtvaartuig maximaal twee personen aanwezig zijn;
e. personen aan wie krachtens een wettelijke bepaling gevraagd wordt hun mondkapje af te zetten om zich te identificeren met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, op het moment van identificatie;
f. personen waarbij het dragen van een mondkapje de goede en veilige uitoefening van hun werkzaamheden in het kader van beroep of bedrijf onmogelijk maakt.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. personen die het vervoer uitvoeren voor zover zij zich in een afgesloten ruimte bevinden ten opzichte van de passagiers;
b. personen die vanwege een beperking of een ziekte geen mondkapje kunnen dragen;
c. begeleiders van personen met een verstandelijke beperking, voor zover deze personen van het door begeleiders dragen van een mondkapje ernstig ontregeld raken, en voor personen die spreken met iemand die vanwege een auditieve beperking moet kunnen spraakafzien;
d. personen in een luchtvaartuig, indien in het luchtvaartuig maximaal twee personen aanwezig zijn;
e. personen aan wie krachtens een wettelijke bepaling gevraagd wordt hun mondkapje af te zetten om zich te identificeren met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, op het moment van identificatie;
f. personen waarbij het dragen van een mondkapje de goede en veilige uitoefening van hun werkzaamheden in het kader van beroep of bedrijf onmogelijk maakt.