BWBR0044416
Geldig vanaf 2021-12-19
Artikel 6.31e
Tijdelijke regeling maatregelen covid-19
1. Een persoon aan wie in een derde land als bedoeld in verordening (EU) 2021/953van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (PbEU 2021, L 211) een vaccinatie is toegediend kan, mits deze persoon niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf krijgen, indien deze persoon beschikt over:
a. een bewijs van vaccinatie waarvan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft getoetst dat: 1°. het op die persoon betrekking heeft;
2°. de vaccinatie op het moment van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6.29, tweede lid, onder b, onder 1° en 2°, onder c, onder 1° en 2° en onder d;
3°. de vaccinatie bestaat uit toediening van een vaccin dat is goedgekeurd door het College ter beoordeling van geneesmiddelen, het Europees Geneesmiddelenbureau of de Wereldgezondheidsorganisatie; en
1°. het op die persoon betrekking heeft;
2°. de vaccinatie op het moment van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6.29, tweede lid, onder b, onder 1° en 2°, onder c, onder 1° en 2° en onder d;
3°. de vaccinatie bestaat uit toediening van een vaccin dat is goedgekeurd door het College ter beoordeling van geneesmiddelen, het Europees Geneesmiddelenbureau of de Wereldgezondheidsorganisatie; en
b. een geldige negatieve testuitslag.
2. Ten behoeve van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, overlegt de persoon, bedoeld in het eerste lid, aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport:
a. een geldig identiteitsdocument als bedoeld in als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES;
b. een vaccinatiebewijs als bedoeld in artikel 6.31a, zevende lid, onder c.
3. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verwerkt:
a. ten behoeve van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, de volgende gegevens van de persoon, bedoeld in het eerste lid: 1°. naam;
2°. geboortedatum;
3°. e-mailadres;
4°. telefoonnummer; en
5°. het gegeven dat het vaccinatiebewijs en de vaccinatie voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, en de datum en het tijdstip waarop dit is vastgesteld;
1°. naam;
2°. geboortedatum;
3°. e-mailadres;
4°. telefoonnummer; en
5°. het gegeven dat het vaccinatiebewijs en de vaccinatie voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, en de datum en het tijdstip waarop dit is vastgesteld;
b. in het geval bij de toets blijkt dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, als ingezetene ingeschreven staat in de basisregistratie personen, de volgende gegevens van deze persoon: 1°. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; en
2°. woonplaats in Nederland, indien van toepassing.
1°. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; en
2°. woonplaats in Nederland, indien van toepassing.
4. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekt op verzoek van de persoon, bedoeld in het eerste lid, gedaan met een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar gestelde applicatie ten behoeve van een elektronisch of schriftelijk coronatoegangsbewijs voor kort verblijf de volgende gegevens:
a. de naam en de geboortedatum van de persoon;
b. het gegeven dat het overgelegde vaccinatiebewijs en de vaccinatie voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, en de datum en het tijdstip waarop dit is vastgesteld;
c. een code voor het opvragen van de gegevens, bedoeld onder a en b.
5. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die een verzoek doet als bedoeld in het vierde lid, kan, in combinatie met een verzoek als bedoeld in artikel 6.31, eerste lid, tot veertien dagen na de datum en het tijdstip genoemd in het derde lid, onder e, met de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onder a en b, en met de gegevens, bedoeld in artikel 6.31, eerste lid, onder a tot en met d, door middel van:
a. de applicatie, bedoeld in artikel 58re, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet een elektronisch coronatoegangsbewijs voor kort verblijf aanmaken;
b. een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar gestelde webapplicatie een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf aanmaken om op papier af te drukken.
6. Een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf is gedurende een periode van ten hoogste veertien dagen geldig, welke termijn aanvangt op het tijdstip, genoemd in het derde lid, onder a, onder 5°, ongeacht het tijdstip waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, op de in het vijfde lid beschreven wijze een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf heeft aangemaakt.
7. Bij de uitvoering van het vierde en vijfde lid en het gebruik van de in het vijfde lid bedoelde applicatie wordt het IP-adres verwerkt dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, gebruikt.
8. Artikel 6.31a, elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
a. een bewijs van vaccinatie waarvan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft getoetst dat: 1°. het op die persoon betrekking heeft;
2°. de vaccinatie op het moment van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6.29, tweede lid, onder b, onder 1° en 2°, onder c, onder 1° en 2° en onder d;
3°. de vaccinatie bestaat uit toediening van een vaccin dat is goedgekeurd door het College ter beoordeling van geneesmiddelen, het Europees Geneesmiddelenbureau of de Wereldgezondheidsorganisatie; en
1°. het op die persoon betrekking heeft;
2°. de vaccinatie op het moment van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6.29, tweede lid, onder b, onder 1° en 2°, onder c, onder 1° en 2° en onder d;
3°. de vaccinatie bestaat uit toediening van een vaccin dat is goedgekeurd door het College ter beoordeling van geneesmiddelen, het Europees Geneesmiddelenbureau of de Wereldgezondheidsorganisatie; en
b. een geldige negatieve testuitslag.
2. Ten behoeve van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, overlegt de persoon, bedoeld in het eerste lid, aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport:
a. een geldig identiteitsdocument als bedoeld in als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES;
b. een vaccinatiebewijs als bedoeld in artikel 6.31a, zevende lid, onder c.
3. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verwerkt:
a. ten behoeve van de toets, bedoeld in het eerste lid, onder a, de volgende gegevens van de persoon, bedoeld in het eerste lid: 1°. naam;
2°. geboortedatum;
3°. e-mailadres;
4°. telefoonnummer; en
5°. het gegeven dat het vaccinatiebewijs en de vaccinatie voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, en de datum en het tijdstip waarop dit is vastgesteld;
1°. naam;
2°. geboortedatum;
3°. e-mailadres;
4°. telefoonnummer; en
5°. het gegeven dat het vaccinatiebewijs en de vaccinatie voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, en de datum en het tijdstip waarop dit is vastgesteld;
b. in het geval bij de toets blijkt dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, als ingezetene ingeschreven staat in de basisregistratie personen, de volgende gegevens van deze persoon: 1°. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; en
2°. woonplaats in Nederland, indien van toepassing.
1°. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; en
2°. woonplaats in Nederland, indien van toepassing.
4. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekt op verzoek van de persoon, bedoeld in het eerste lid, gedaan met een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar gestelde applicatie ten behoeve van een elektronisch of schriftelijk coronatoegangsbewijs voor kort verblijf de volgende gegevens:
a. de naam en de geboortedatum van de persoon;
b. het gegeven dat het overgelegde vaccinatiebewijs en de vaccinatie voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, en de datum en het tijdstip waarop dit is vastgesteld;
c. een code voor het opvragen van de gegevens, bedoeld onder a en b.
5. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die een verzoek doet als bedoeld in het vierde lid, kan, in combinatie met een verzoek als bedoeld in artikel 6.31, eerste lid, tot veertien dagen na de datum en het tijdstip genoemd in het derde lid, onder e, met de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onder a en b, en met de gegevens, bedoeld in artikel 6.31, eerste lid, onder a tot en met d, door middel van:
a. de applicatie, bedoeld in artikel 58re, eerste lid, onder a, onder 1°, van de wet een elektronisch coronatoegangsbewijs voor kort verblijf aanmaken;
b. een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar gestelde webapplicatie een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf aanmaken om op papier af te drukken.
6. Een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf is gedurende een periode van ten hoogste veertien dagen geldig, welke termijn aanvangt op het tijdstip, genoemd in het derde lid, onder a, onder 5°, ongeacht het tijdstip waarop de persoon, bedoeld in het eerste lid, op de in het vijfde lid beschreven wijze een coronatoegangsbewijs voor kort verblijf heeft aangemaakt.
7. Bij de uitvoering van het vierde en vijfde lid en het gebruik van de in het vijfde lid bedoelde applicatie wordt het IP-adres verwerkt dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, gebruikt.
8. Artikel 6.31a, elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.