BWBR0044416
Geldig vanaf 2021-12-19
Artikel 6.29
Tijdelijke regeling maatregelen covid-19
1. Een coronatoegangsbewijs op basis van een negatieve testuitslag is geldig voor deelname aan een activiteit of toegang tot een voorziening waarvoor het beschikken over een resultaat krachtens de wetis voorgeschreven indien:
a. het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op de persoon die de deelname of de toegang wenst;
b. een NAAT-test, een antigeentest of een ademtest op een infectie met het virus SARS-Cov-2 is uitgevoerd;
c. de uitslag van de uitgevoerde test negatief is; en
d. op het moment van aanvang van de deelname of toegang niet meer dan vierentwintig uren zijn verstreken sinds het tijdstip van afname van de test, bepaald overeenkomstig artikel 6.28, onderdeel b, onder 2°.
2. Een coronatoegangsbewijs op basis van een vaccinatie tegen het virus SARS-CoV-2 is geldig voor deelname aan een activiteit of toegang tot een voorziening waarvoor het beschikken over een resultaat krachtens de wet is voorgeschreven indien:
a. het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op de persoon die de deelname of de toegang wenst;
b. de vaccinatie is voltooid doordat: 1°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van één vaccin en dit vaccin is toegediend; of
2°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van twee vaccins en – beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
– beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
3°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die de deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als volledig beschermd kan worden beschouwd; of
4°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als gedeeltelijk beschermd kan worden beschouwd, en tevens één vaccin als bedoeld in artikel 6.26a toegediend heeft gekregen; en
1°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van één vaccin en dit vaccin is toegediend; of
2°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van twee vaccins en – beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
– beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
3°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die de deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als volledig beschermd kan worden beschouwd; of
4°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als gedeeltelijk beschermd kan worden beschouwd, en tevens één vaccin als bedoeld in artikel 6.26a toegediend heeft gekregen; en
c. op het moment van aanvang van de deelname of toegang: 1°. ten minste achtentwintig dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met het covid-19-vaccin Janssen, registratienummer EU/1/20/1525, tenzij de vaccinatie is voltooid in de periode van veertien dagen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit artikelonderdeel; of
2°. ten minste veertien dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met een ander vaccin dan bedoeld onder 1°; of
3°. ingeval van de situatie, bedoeld in onderdeel b, onder 4°, de termijn, bedoeld onder 1° of 2°, is verstreken met ingang van de datum van toediening van het vaccin als bedoeld in artikel 6.26a;
1°. ten minste achtentwintig dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met het covid-19-vaccin Janssen, registratienummer EU/1/20/1525, tenzij de vaccinatie is voltooid in de periode van veertien dagen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit artikelonderdeel; of
2°. ten minste veertien dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met een ander vaccin dan bedoeld onder 1°; of
3°. ingeval van de situatie, bedoeld in onderdeel b, onder 4°, de termijn, bedoeld onder 1° of 2°, is verstreken met ingang van de datum van toediening van het vaccin als bedoeld in artikel 6.26a;
d. voor zover het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op een persoon van 18 jaar of ouder, op het moment van aanvang van de deelname of toegang niet meer dan 270 dagen zijn verstreken sinds de datum van voltooiing van de vaccinatie, tenzij in aanvulling op die voltooide vaccinatie een vaccin is toegediend dat eveneens is goedgekeurd door het College ter beoordeling van geneesmiddelen of het Europees Medicijn Agentschap, dan wel door de wereldgezondheidsorganisatie is opgenomen op de Emergency Use Listing; en
e. voor zover het een papieren coronatoegangsbewijs betreft, op het moment van aanvang van de deelname of toegang niet meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de uitgifte van dat bewijs.
3. Een coronatoegangsbewijs op basis van herstel van het virus SARS-CoV-2 is geldig voor deelname aan een activiteit of toegang tot een voorziening waarvoor het beschikken over een resultaat krachtens de wetis voorgeschreven indien:
a. het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op de persoon die de deelname of de toegang wenst;
b. een NAAT-test of een antigeentest is uitgevoerd;
c. de uitslag van de uitgevoerde test positief is; en
d. op het moment van aanvang van de deelname of toegang: 1°. ten minste elf dagen en ten hoogste 180 dagen zijn verstreken sinds het tijdstip van afname van de test, bepaald overeenkomstig artikel 6.28, onder b, onder 2°; en
2°. voor zover het een papieren coronatoegangsbewijs betreft, niet meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de uitgifte van dat bewijs.
1°. ten minste elf dagen en ten hoogste 180 dagen zijn verstreken sinds het tijdstip van afname van de test, bepaald overeenkomstig artikel 6.28, onder b, onder 2°; en
2°. voor zover het een papieren coronatoegangsbewijs betreft, niet meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de uitgifte van dat bewijs.
a. het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op de persoon die de deelname of de toegang wenst;
b. een NAAT-test, een antigeentest of een ademtest op een infectie met het virus SARS-Cov-2 is uitgevoerd;
c. de uitslag van de uitgevoerde test negatief is; en
d. op het moment van aanvang van de deelname of toegang niet meer dan vierentwintig uren zijn verstreken sinds het tijdstip van afname van de test, bepaald overeenkomstig artikel 6.28, onderdeel b, onder 2°.
2. Een coronatoegangsbewijs op basis van een vaccinatie tegen het virus SARS-CoV-2 is geldig voor deelname aan een activiteit of toegang tot een voorziening waarvoor het beschikken over een resultaat krachtens de wet is voorgeschreven indien:
a. het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op de persoon die de deelname of de toegang wenst;
b. de vaccinatie is voltooid doordat: 1°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van één vaccin en dit vaccin is toegediend; of
2°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van twee vaccins en – beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
– beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
3°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die de deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als volledig beschermd kan worden beschouwd; of
4°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als gedeeltelijk beschermd kan worden beschouwd, en tevens één vaccin als bedoeld in artikel 6.26a toegediend heeft gekregen; en
1°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van één vaccin en dit vaccin is toegediend; of
2°. de vaccinatie bestaat uit de toediening van twee vaccins en – beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
– beide vaccins zijn toegediend met inachtneming van het aanbevolen interval; of
– één vaccin is toegediend en is bevestigd dat de gevaccineerde persoon blijkens een positieve testuitslag eerder geïnfecteerd is geweest met het virus SARS-CoV-2; of
3°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die de deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als volledig beschermd kan worden beschouwd; of
4°. ingeval van een vaccin als bedoeld in artikel 6.26aa, de persoon die deelname of toegang wenst het vaccin in het kader van het in dat artikel bedoelde wetenschappelijk onderzoek toegediend heeft gekregen en naar het oordeel van degene die het wetenschappelijk onderzoek verricht als gedeeltelijk beschermd kan worden beschouwd, en tevens één vaccin als bedoeld in artikel 6.26a toegediend heeft gekregen; en
c. op het moment van aanvang van de deelname of toegang: 1°. ten minste achtentwintig dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met het covid-19-vaccin Janssen, registratienummer EU/1/20/1525, tenzij de vaccinatie is voltooid in de periode van veertien dagen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit artikelonderdeel; of
2°. ten minste veertien dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met een ander vaccin dan bedoeld onder 1°; of
3°. ingeval van de situatie, bedoeld in onderdeel b, onder 4°, de termijn, bedoeld onder 1° of 2°, is verstreken met ingang van de datum van toediening van het vaccin als bedoeld in artikel 6.26a;
1°. ten minste achtentwintig dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met het covid-19-vaccin Janssen, registratienummer EU/1/20/1525, tenzij de vaccinatie is voltooid in de periode van veertien dagen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit artikelonderdeel; of
2°. ten minste veertien dagen zijn verstreken met ingang van de datum van voltooiing van de vaccinatie met een ander vaccin dan bedoeld onder 1°; of
3°. ingeval van de situatie, bedoeld in onderdeel b, onder 4°, de termijn, bedoeld onder 1° of 2°, is verstreken met ingang van de datum van toediening van het vaccin als bedoeld in artikel 6.26a;
d. voor zover het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op een persoon van 18 jaar of ouder, op het moment van aanvang van de deelname of toegang niet meer dan 270 dagen zijn verstreken sinds de datum van voltooiing van de vaccinatie, tenzij in aanvulling op die voltooide vaccinatie een vaccin is toegediend dat eveneens is goedgekeurd door het College ter beoordeling van geneesmiddelen of het Europees Medicijn Agentschap, dan wel door de wereldgezondheidsorganisatie is opgenomen op de Emergency Use Listing; en
e. voor zover het een papieren coronatoegangsbewijs betreft, op het moment van aanvang van de deelname of toegang niet meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de uitgifte van dat bewijs.
3. Een coronatoegangsbewijs op basis van herstel van het virus SARS-CoV-2 is geldig voor deelname aan een activiteit of toegang tot een voorziening waarvoor het beschikken over een resultaat krachtens de wetis voorgeschreven indien:
a. het coronatoegangsbewijs betrekking heeft op de persoon die de deelname of de toegang wenst;
b. een NAAT-test of een antigeentest is uitgevoerd;
c. de uitslag van de uitgevoerde test positief is; en
d. op het moment van aanvang van de deelname of toegang: 1°. ten minste elf dagen en ten hoogste 180 dagen zijn verstreken sinds het tijdstip van afname van de test, bepaald overeenkomstig artikel 6.28, onder b, onder 2°; en
2°. voor zover het een papieren coronatoegangsbewijs betreft, niet meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de uitgifte van dat bewijs.
1°. ten minste elf dagen en ten hoogste 180 dagen zijn verstreken sinds het tijdstip van afname van de test, bepaald overeenkomstig artikel 6.28, onder b, onder 2°; en
2°. voor zover het een papieren coronatoegangsbewijs betreft, niet meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de uitgifte van dat bewijs.