BWBR0041553
Geldig vanaf 2018-11-17
Artikel 32a
Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022
1. Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling gedurende de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat zal zijn om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 7, vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar;
b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid; of
c. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid.
2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, en de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, en 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend;
b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 13, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend;
c. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste 50% van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste 25% van die begroting bedraagt; of
d. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.
4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 29, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.
5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b of c.
a. de subsidieperiode als bedoeld in artikel 7, vierde lid, te verlengen tot in totaal maximaal zes jaar;
b. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid; of
c. de subsidieverlening tussentijds te beëindigen zonder daarbij subsidie terug te vorderen wegens het niet voldoen aan de cofinancieringseisen, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits het bevoegd gezag verwacht de cofinanciering zoals begroot in de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting niet daadwerkelijk te kunnen realiseren en daarvoor ook geen gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden als bedoeld in het derde lid, een en ander onverminderd artikel 5, tweede lid.
2. De Minister neemt binnen acht weken een besluit op een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien het bevoegd gezag van de aanvragende onderwijsinstelling na afloop van de projectperiode aannemelijk maakt dat zij door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is geweest om aan alle subsidieverplichtingen voortvloeiend uit deze regeling te voldoen, kan de Minister op verzoek van dat bevoegd gezag besluiten:
a. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, en de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder d, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, en 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend;
b. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste cofinancieringsverhoudingen tussen de partijen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en de partijen als bedoeld in artikel 13, vierde lid, mits het bevoegd gezag alsmede de partijen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a, g en h, hier geen bekostiging uit ’s Rijks kas voor hebben aangewend;
c. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste 50% van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b tot en met d, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste 25% van die begroting bedraagt; of
d. toe te staan dat de daadwerkelijk gerealiseerde cofinanciering niet voldoet aan de vereiste omvang van ten minste twee derde deel van de laatst goedgekeurde meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 13, tweede tot en met vierde lid, mits de gerealiseerde cofinanciering wel ten minste een derde deel van die begroting bedraagt.
4. Een verzoek als bedoeld in het derde lid dient binnen de periode als bedoeld in artikel 29, vierde lid, te worden ingediend. De Minister neemt binnen tien weken een besluit op dit verzoek.
5. De Minister kan tevens ambtshalve besluiten tot tussentijdse beëindiging van de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, onder b of c.