BWBR0041553
Geldig vanaf 2018-11-17
Artikel 10
Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022
1. Indien een aanvraag in overwegende mate tot doel heeft de aansluiting van een entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet, op de arbeidsmarkt te verbeteren:
a. kan het samenwerkingsverband, onverminderd artikel 12, tevens bestaan uit een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra;
b. bedraagt de subsidie, in afwijking van artikel 13, tweede lid, ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting;
c. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, derde lid, ten minste 25% en ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
d. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, vierde lid, en bedoeld in onderdeel a, ten hoogste 25% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar;
e. is de cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling uitsluitend in geld en bedraagt deze ten hoogste 10% van de meerjarenbegroting.
2. Indien dit bijdraagt aan het doel van het project kan de doorstroom van een entreeopleiding naar een basisberoepsopleiding deel uitmaken van de aanvraag.
a. kan het samenwerkingsverband, onverminderd artikel 12, tevens bestaan uit een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra;
b. bedraagt de subsidie, in afwijking van artikel 13, tweede lid, ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting;
c. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, derde lid, ten minste 25% en ten hoogste 50% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
d. bedraagt de cofinanciering door de partijen bedoeld in artikel 13, vierde lid, en bedoeld in onderdeel a, ten hoogste 25% van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar;
e. is de cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling uitsluitend in geld en bedraagt deze ten hoogste 10% van de meerjarenbegroting.
2. Indien dit bijdraagt aan het doel van het project kan de doorstroom van een entreeopleiding naar een basisberoepsopleiding deel uitmaken van de aanvraag.