BWBR0041553
Geldig vanaf 2018-11-17
Artikel 17
Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022
1. De meerjarenbegroting bevat een onderbouwd overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven voor de betreffende kalenderjaren waarin uitsplitsing is gemaakt in omvang en prijs voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2. De meerjarenbegroting omvat daarnaast:
a. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd;
b. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt, of waaruit ingeval van een project, bedoeld in artikel 10, blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste de helft van de totale begroting bedraagt;
c. de omvang van de kosten voor projectmanagement;
d. een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste vier jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de publiek-private samenwerking duurzaam wordt voortgezet;
e. indien artikel 7, vijfde lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma; en
f. een onderbouwing waaruit blijkt dat de kosten van het project aanvullend zijn op de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022.
3. Voor de eerste helft van de subsidieperiode bevat de meerjarenbegroting daarnaast:
a. een gedetailleerd overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door partijen in het samenwerkingsverband;
b. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen; en
c. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners.
4. Voor de tweede helft van de subsidieperiode bevat de meerjarenbegroting ten minste een globale beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in het derde lid.
5. Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 73,– per uur. Kosten voor de inzet van vrijwilligers worden niet als personeelskosten aangemerkt.
6. Indien sprake is van afschrijving van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
2. De meerjarenbegroting omvat daarnaast:
a. de hoogte van het subsidiebedrag dat wordt gevraagd;
b. een onderbouwing waaruit blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste één derde deel van de totale begroting bedraagt, of waaruit ingeval van een project, bedoeld in artikel 10, blijkt dat het subsidiebedrag ten hoogste de helft van de totale begroting bedraagt;
c. de omvang van de kosten voor projectmanagement;
d. een raming van inkomsten en uitgaven voor een periode van ten minste vier jaar na afloop van de subsidieperiode, waaruit blijkt dat de publiek-private samenwerking duurzaam wordt voortgezet;
e. indien artikel 7, vijfde lid, van toepassing is, een omschrijving van de ontwikkelkosten van het Associate-degreeprogramma; en
f. een onderbouwing waaruit blijkt dat de kosten van het project aanvullend zijn op de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022.
3. Voor de eerste helft van de subsidieperiode bevat de meerjarenbegroting daarnaast:
a. een gedetailleerd overzicht van de financiering in geld waardeerbaar en de financiering in geld door partijen in het samenwerkingsverband;
b. de omvang van de cofinanciering door de arbeidsorganisaties, het georganiseerd bedrijfsleven en O&O-fondsen; en
c. de omvang van de cofinanciering van de onderwijsinstelling en de overige samenwerkingspartners.
4. Voor de tweede helft van de subsidieperiode bevat de meerjarenbegroting ten minste een globale beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in het derde lid.
5. Voor de berekening van de personeelskosten wordt een integraal tarief gehanteerd van € 73,– per uur. Kosten voor de inzet van vrijwilligers worden niet als personeelskosten aangemerkt.
6. Indien sprake is van afschrijving van kosten voor nieuwbouw of verbouw van gebouwen voor de publiek-private samenwerking worden deze kosten, voor zover deze betrekking hebben op de publiek-private samenwerking, afgeschreven conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.