BWBR0040610
Geldig vanaf 2018-02-09
Artikel 6
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat
1. Het directoraat-generaal Mobiliteit staat onder leiding van de directeur-generaal Mobiliteit.
2. Het directoraat-generaal Mobiliteit bestaat uit de volgende dienstonderdelen:
a. de directie Openbaar Vervoer en Spoor;
b. de directie Wegen en Verkeersveiligheid;
c. de programmadirectie Duurzame Mobiliteit;
d. de programmadirectie Mobiliteit en Gebieden;
e. de unit Strategie;
f. de unit Innovatie; en
g. het stafbureau directoraat-generaal Mobiliteit.
3. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a en b, staan onder leiding van een directeur. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder c en d, staan onder leiding van een programmadirecteur. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder e, f en g, staan onder leiding van een afdelingshoofd. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met d, bestaan uit afdelingen en programma’s die onder leiding staan van respectievelijk een afdelingshoofd of een programmamanager.
4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Mobiliteit zijn de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal en Water en Bodem, bedoeld in de artikelen 4, 5en 7, en de directeuren en de programmadirecteuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
5. Bij afwezigheid of verhindering van een directeur of programmadirecteur zijn de overige directeuren en programmadirecteuren en de afdelingshoofden en programmamanagers binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
6. Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd of programmamanager binnen een directie of programmadirectie zijn de overige afdelingshoofden en programmamanagers binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
7. Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Mobiliteit.
8. Het directoraat-generaal Mobiliteit heeft als doel de mobiliteit in Nederland te bevorderen, de netwerkkwaliteit van spoorwegen en het wegennet verder te ontwikkelen, het veilige, innovatieve en duurzame gebruik daarvan te waarborgen en te zorgen voor een goede en verantwoorde inpassing in de leefomgeving. Daarmee hebben het directoraat-generaal Mobiliteit en zijn dienstonderdelen de volgende taken:
a. de directie Openbaar Vervoer en Spoor: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot: 1°. openbaar vervoer en ander personenvervoer;
2°. beheer, gebruik en aanleg van de hoofdspoorweginfrastructuur en spoorwegen;
3°. goederenvervoer per spoor; en
4°. de veiligheid op en rond het spoor;
1°. openbaar vervoer en ander personenvervoer;
2°. beheer, gebruik en aanleg van de hoofdspoorweginfrastructuur en spoorwegen;
3°. goederenvervoer per spoor; en
4°. de veiligheid op en rond het spoor;
b. de directie Wegen en Verkeersveiligheid: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot: 1°. de aanleg van het hoofdwegennet;
2°. slim gebruik en onderhoud van het hoofdwegennet en goederenvervoer over de weg;
3°. inpassing van wegen in relatie tot milieu en natuur alsmede bereikbaarheid; en
4°. veilig verkeer en vervoer;
1°. de aanleg van het hoofdwegennet;
2°. slim gebruik en onderhoud van het hoofdwegennet en goederenvervoer over de weg;
3°. inpassing van wegen in relatie tot milieu en natuur alsmede bereikbaarheid; en
4°. veilig verkeer en vervoer;
c. de programmadirectie Duurzame Mobiliteit: het realiseren, stimuleren en faciliteren van strategie, coördinatie, aanpak en maatregelen met betrekking tot: 1°. duurzame mobiliteit;
2°. CO2-reductie voor de Nederlandse mobiliteits- en transportsector;
3°. fietsen en lopen; en
4°. beleid op het gebied van voertuigemissies en brandstoffen;
1°. duurzame mobiliteit;
2°. CO2-reductie voor de Nederlandse mobiliteits- en transportsector;
3°. fietsen en lopen; en
4°. beleid op het gebied van voertuigemissies en brandstoffen;
d. de programmadirectie Mobiliteit en Gebieden: 1°. de departementbrede systeemverantwoordelijkheid voor het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT);
2°. het bijdragen aan samenwerking en afstemming tussen partijen met het oog op investeringen in het ruimtelijke-fysieke domein;
3° het realiseren, stimuleren en coördineren van beleid en activiteiten op het gebied van: i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
4°. het afwikkelen van zaken van de voormalige programmadirectie Beter Benutten;
1°. de departementbrede systeemverantwoordelijkheid voor het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT);
2°. het bijdragen aan samenwerking en afstemming tussen partijen met het oog op investeringen in het ruimtelijke-fysieke domein;
3° het realiseren, stimuleren en coördineren van beleid en activiteiten op het gebied van: i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
4°. het afwikkelen van zaken van de voormalige programmadirectie Beter Benutten;
e. de unit Strategie: het waarborgen van integrale beleids- en visievorming van het directoraat-generaal Mobiliteit en het directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken;
f. de unit Innovatie: het bevorderen van de toepassing van innovatieve mogelijkheden binnen het mobiliteitsterrein; en
g. het stafbureau directoraat-generaal Mobiliteit: het ondersteunen van het directoraat-generaal Mobiliteit.
2. Het directoraat-generaal Mobiliteit bestaat uit de volgende dienstonderdelen:
a. de directie Openbaar Vervoer en Spoor;
b. de directie Wegen en Verkeersveiligheid;
c. de programmadirectie Duurzame Mobiliteit;
d. de programmadirectie Mobiliteit en Gebieden;
e. de unit Strategie;
f. de unit Innovatie; en
g. het stafbureau directoraat-generaal Mobiliteit.
3. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a en b, staan onder leiding van een directeur. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder c en d, staan onder leiding van een programmadirecteur. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder e, f en g, staan onder leiding van een afdelingshoofd. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met d, bestaan uit afdelingen en programma’s die onder leiding staan van respectievelijk een afdelingshoofd of een programmamanager.
4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Mobiliteit zijn de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal en Water en Bodem, bedoeld in de artikelen 4, 5en 7, en de directeuren en de programmadirecteuren bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
5. Bij afwezigheid of verhindering van een directeur of programmadirecteur zijn de overige directeuren en programmadirecteuren en de afdelingshoofden en programmamanagers binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
6. Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd of programmamanager binnen een directie of programmadirectie zijn de overige afdelingshoofden en programmamanagers binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
7. Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Mobiliteit.
8. Het directoraat-generaal Mobiliteit heeft als doel de mobiliteit in Nederland te bevorderen, de netwerkkwaliteit van spoorwegen en het wegennet verder te ontwikkelen, het veilige, innovatieve en duurzame gebruik daarvan te waarborgen en te zorgen voor een goede en verantwoorde inpassing in de leefomgeving. Daarmee hebben het directoraat-generaal Mobiliteit en zijn dienstonderdelen de volgende taken:
a. de directie Openbaar Vervoer en Spoor: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot: 1°. openbaar vervoer en ander personenvervoer;
2°. beheer, gebruik en aanleg van de hoofdspoorweginfrastructuur en spoorwegen;
3°. goederenvervoer per spoor; en
4°. de veiligheid op en rond het spoor;
1°. openbaar vervoer en ander personenvervoer;
2°. beheer, gebruik en aanleg van de hoofdspoorweginfrastructuur en spoorwegen;
3°. goederenvervoer per spoor; en
4°. de veiligheid op en rond het spoor;
b. de directie Wegen en Verkeersveiligheid: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot: 1°. de aanleg van het hoofdwegennet;
2°. slim gebruik en onderhoud van het hoofdwegennet en goederenvervoer over de weg;
3°. inpassing van wegen in relatie tot milieu en natuur alsmede bereikbaarheid; en
4°. veilig verkeer en vervoer;
1°. de aanleg van het hoofdwegennet;
2°. slim gebruik en onderhoud van het hoofdwegennet en goederenvervoer over de weg;
3°. inpassing van wegen in relatie tot milieu en natuur alsmede bereikbaarheid; en
4°. veilig verkeer en vervoer;
c. de programmadirectie Duurzame Mobiliteit: het realiseren, stimuleren en faciliteren van strategie, coördinatie, aanpak en maatregelen met betrekking tot: 1°. duurzame mobiliteit;
2°. CO2-reductie voor de Nederlandse mobiliteits- en transportsector;
3°. fietsen en lopen; en
4°. beleid op het gebied van voertuigemissies en brandstoffen;
1°. duurzame mobiliteit;
2°. CO2-reductie voor de Nederlandse mobiliteits- en transportsector;
3°. fietsen en lopen; en
4°. beleid op het gebied van voertuigemissies en brandstoffen;
d. de programmadirectie Mobiliteit en Gebieden: 1°. de departementbrede systeemverantwoordelijkheid voor het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT);
2°. het bijdragen aan samenwerking en afstemming tussen partijen met het oog op investeringen in het ruimtelijke-fysieke domein;
3° het realiseren, stimuleren en coördineren van beleid en activiteiten op het gebied van: i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
4°. het afwikkelen van zaken van de voormalige programmadirectie Beter Benutten;
1°. de departementbrede systeemverantwoordelijkheid voor het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT);
2°. het bijdragen aan samenwerking en afstemming tussen partijen met het oog op investeringen in het ruimtelijke-fysieke domein;
3° het realiseren, stimuleren en coördineren van beleid en activiteiten op het gebied van: i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
i. integrale mobiliteitsaanpak en bereikbaarheidsprogramma’s in de vijf MIRT-gebieden en voor stedelijke bereikbaarheid;
ii. verduurzaming van het MIRT, de spelregels en het gehele MIRT-proces;
iii. integrale besluitvorming over en uitvoering van MIRT-onderzoeken en -verkenningen; en
iv. stadslogistiek en goederenvervoer binnen het directoraat-generaal Mobiliteit; en
4°. het afwikkelen van zaken van de voormalige programmadirectie Beter Benutten;
e. de unit Strategie: het waarborgen van integrale beleids- en visievorming van het directoraat-generaal Mobiliteit en het directoraat-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken;
f. de unit Innovatie: het bevorderen van de toepassing van innovatieve mogelijkheden binnen het mobiliteitsterrein; en
g. het stafbureau directoraat-generaal Mobiliteit: het ondersteunen van het directoraat-generaal Mobiliteit.