BWBR0040610
Geldig vanaf 2018-02-09
Artikel 24
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat
1. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken gericht tot:
a. de Koning;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. een minister of staatssecretaris;
d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris;
e. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;
f. de vicepresident van de Raad van State; en
g. de president van Algemene Rekenkamer.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van handelingen ten opzichte van één van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die uitsluitend van informatieve aard zijn.
3. Aan de bewindspersoon is tevens voorbehouden de bevoegdheid tot:
a. het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemeen verbindende voorschriften;
b. het geven en ondertekenen van algemene en bijzondere aanwijzingen aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en de onder de inspecteur-generaal ressorterende functionarissen; en
c. het nemen van een beslissing tot het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, voor zover de bewindspersoon belanghebbende is op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
a. de Koning;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. een minister of staatssecretaris;
d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris;
e. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;
f. de vicepresident van de Raad van State; en
g. de president van Algemene Rekenkamer.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van handelingen ten opzichte van één van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die uitsluitend van informatieve aard zijn.
3. Aan de bewindspersoon is tevens voorbehouden de bevoegdheid tot:
a. het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemeen verbindende voorschriften;
b. het geven en ondertekenen van algemene en bijzondere aanwijzingen aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en de onder de inspecteur-generaal ressorterende functionarissen; en
c. het nemen van een beslissing tot het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, voor zover de bewindspersoon belanghebbende is op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.