BWBR0040610
Geldig vanaf 2018-02-09
Artikel 26
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat
1. Onverminderd artikel 20, eerste lid, wordt aan de plaatsvervangend secretaris-generaal of aan de volgende diensthoofden, bij uitsluiting van de overige diensthoofden, mandaat verleend voor de volgende bevoegdheden:
a. de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal, Mobiliteit, Water en Bodem en Rijkswaterstaat: het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;
b. de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal, Mobiliteit, Water en Bodem en Rijkswaterstaat, de hoofddirecteuren Bestuurlijke en Juridische Zaken en KNMI, de directeur Planbureau voor de Leefomgeving en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het nemen van een besluit op verzoek om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur;
c. de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken: de bevoegdheden inzake het behandelen van bezwaarschriften en het vertegenwoordigen van de bewindspersoon in bestuursrechtelijke procedures, bedoeld in artikel 8, achtste lid, onder c en d, met uitzondering van bezwaarschriften en bestuursrechtelijke procedures die verband houden met de taken van de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, alsmede de ambtelijke rechtspositie;
d. de directeur Uitvoering en Decentraal Advies en Control: i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van documentatie conform de Archiefwet 1995 en de daarop berustende en regelgeving ten behoeve van de documentaire informatievoorziening, behoudens bij instructie te bepalen uitzonderingen, welke worden vastgelegd in de beheersregels, bedoeld in artikel 14 van het Archiefbesluit 1995, voor de onderdelen van het ministerie, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van documentatie conform de Archiefwet 1995 en de daarop berustende en regelgeving ten behoeve van de documentaire informatievoorziening, behoudens bij instructie te bepalen uitzonderingen, welke worden vastgelegd in de beheersregels, bedoeld in artikel 14 van het Archiefbesluit 1995, voor de onderdelen van het ministerie, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
e. de directeur-generaal Rijkswaterstaat: de inkoop van energie voor gebruik door het ministerie.
2. Aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport wordt bij uitsluiting van de overige diensthoofden en de secretaris-generaal mandaat en ondertekeningsmandaat verleend betreffende het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot een aan hem of aan de onder hem ressorterende functionarissen geattribueerde of gemandateerde bevoegdheid.
3. In afwijking van artikel 21, tweede lid, kan geen ondermandaat worden verleend ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde bevoegdheden. De vorige zin is niet van toepassing op de directeur-generaal Rijkswaterstaat, voor zover het de in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid betreft.
a. de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal, Mobiliteit, Water en Bodem en Rijkswaterstaat: het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;
b. de directeuren-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken, Milieu en Internationaal, Mobiliteit, Water en Bodem en Rijkswaterstaat, de hoofddirecteuren Bestuurlijke en Juridische Zaken en KNMI, de directeur Planbureau voor de Leefomgeving en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het nemen van een besluit op verzoek om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur;
c. de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken: de bevoegdheden inzake het behandelen van bezwaarschriften en het vertegenwoordigen van de bewindspersoon in bestuursrechtelijke procedures, bedoeld in artikel 8, achtste lid, onder c en d, met uitzondering van bezwaarschriften en bestuursrechtelijke procedures die verband houden met de taken van de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, alsmede de ambtelijke rechtspositie;
d. de directeur Uitvoering en Decentraal Advies en Control: i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van documentatie conform de Archiefwet 1995 en de daarop berustende en regelgeving ten behoeve van de documentaire informatievoorziening, behoudens bij instructie te bepalen uitzonderingen, welke worden vastgelegd in de beheersregels, bedoeld in artikel 14 van het Archiefbesluit 1995, voor de onderdelen van het ministerie, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van documentatie conform de Archiefwet 1995 en de daarop berustende en regelgeving ten behoeve van de documentaire informatievoorziening, behoudens bij instructie te bepalen uitzonderingen, welke worden vastgelegd in de beheersregels, bedoeld in artikel 14 van het Archiefbesluit 1995, voor de onderdelen van het ministerie, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
e. de directeur-generaal Rijkswaterstaat: de inkoop van energie voor gebruik door het ministerie.
2. Aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport wordt bij uitsluiting van de overige diensthoofden en de secretaris-generaal mandaat en ondertekeningsmandaat verleend betreffende het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot een aan hem of aan de onder hem ressorterende functionarissen geattribueerde of gemandateerde bevoegdheid.
3. In afwijking van artikel 21, tweede lid, kan geen ondermandaat worden verleend ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde bevoegdheden. De vorige zin is niet van toepassing op de directeur-generaal Rijkswaterstaat, voor zover het de in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid betreft.