BWBR0030951
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 5
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012
1. Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal staat onder leiding van de directeur-generaal Milieu en Internationaal.
2. Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal bestaat uit de volgende dienstonderdelen:
a. de directie Duurzaamheid;
b. de directie Internationaal;
c. de directie Klimaat, Lucht en Geluid;
d. de directie Veiligheid en Risico’s; en
e. de programmadirectie Eenvoudig Beter.
3. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met d, staan onder leiding van een directeur. Het dienstonderdeel, genoemd in het tweede lid, onder e, staat onder leiding van een programmadirecteur. Onder de dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, ressorteren tevens afdelingshoofden.
4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Milieu en Internationaal zijn de directeuren-generaal Bereikbaarheid en Ruimte en Water, bedoeld in de artikelen 4en 6, en de directeuren en de programmadirecteur bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
5. Bij afwezigheid of verhindering van een directeur of de programmadirecteur zijn de overige directeuren of de programmadirecteur en de afdelingshoofden binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
6. Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie of programmadirectie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
7. Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Milieu en Internationaal.
8. Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal heeft tot doel de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving alsmede het beheer van schaarse hulpbronnen en milieuruimte. Daarmee hebben het directoraat-generaal Milieu en Internationaal en zijn dienstonderdelen de volgende taken:
a. de directie Duurzaamheid: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot de transitie naar een circulaire economie door: i. het vitaal houden van het natuurlijk kapitaal;
ii. het verduurzamen van afval- en grondstoffenbeleid; en
iii. het versterken van een op de transitie gericht instrumentarium;
i. het vitaal houden van het natuurlijk kapitaal;
ii. het verduurzamen van afval- en grondstoffenbeleid; en
iii. het versterken van een op de transitie gericht instrumentarium;
b. de directie Internationaal: i. advisering ten behoeve van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding op het terrein van internationale strategie en beleidsvorming;
ii. het verbinden van de internationale context met de nationale beleidsontwikkelingen;
iii. het waarborgen van de kwaliteit en coherentie van het beleid van het ministerie in het internationale veld;
iv. het coördineren en regisseren van de internationale functie binnen het ministerie;.
i. advisering ten behoeve van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding op het terrein van internationale strategie en beleidsvorming;
ii. het verbinden van de internationale context met de nationale beleidsontwikkelingen;
iii. het waarborgen van de kwaliteit en coherentie van het beleid van het ministerie in het internationale veld;
iv. het coördineren en regisseren van de internationale functie binnen het ministerie;.
c. de directie Klimaat, Lucht en Geluid: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot: i. klimaatverandering;
ii. luchtkwaliteit en geluidhinder;
iii. luchtemissies industrie en verhandelbare emissierechten; en
iv. verkeersemissies en brandstoffen;
i. klimaatverandering;
ii. luchtkwaliteit en geluidhinder;
iii. luchtemissies industrie en verhandelbare emissierechten; en
iv. verkeersemissies en brandstoffen;
d. de directie Veiligheid en Risico’s: 1°. het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot omgevingsveiligheid en milieurisico’s op het gebied van: i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
2°. het coördineren van activiteiten met betrekking tot de relatie tussen milieubeleid en: i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
1°. het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot omgevingsveiligheid en milieurisico’s op het gebied van: i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
2°. het coördineren van activiteiten met betrekking tot de relatie tussen milieubeleid en: i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
e. de programmadirectie Eenvoudig Beter: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot een eenvoudiger en beter omgevingsrecht.
2. Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal bestaat uit de volgende dienstonderdelen:
a. de directie Duurzaamheid;
b. de directie Internationaal;
c. de directie Klimaat, Lucht en Geluid;
d. de directie Veiligheid en Risico’s; en
e. de programmadirectie Eenvoudig Beter.
3. De dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met d, staan onder leiding van een directeur. Het dienstonderdeel, genoemd in het tweede lid, onder e, staat onder leiding van een programmadirecteur. Onder de dienstonderdelen, genoemd in het tweede lid, ressorteren tevens afdelingshoofden.
4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur-generaal Milieu en Internationaal zijn de directeuren-generaal Bereikbaarheid en Ruimte en Water, bedoeld in de artikelen 4en 6, en de directeuren en de programmadirecteur bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
5. Bij afwezigheid of verhindering van een directeur of de programmadirecteur zijn de overige directeuren of de programmadirecteur en de afdelingshoofden binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
6. Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd binnen een directie of programmadirectie zijn de overige afdelingshoofden binnen de directie of programmadirectie bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
7. Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur-generaal Milieu en Internationaal.
8. Het directoraat-generaal Milieu en Internationaal heeft tot doel de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving alsmede het beheer van schaarse hulpbronnen en milieuruimte. Daarmee hebben het directoraat-generaal Milieu en Internationaal en zijn dienstonderdelen de volgende taken:
a. de directie Duurzaamheid: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot de transitie naar een circulaire economie door: i. het vitaal houden van het natuurlijk kapitaal;
ii. het verduurzamen van afval- en grondstoffenbeleid; en
iii. het versterken van een op de transitie gericht instrumentarium;
i. het vitaal houden van het natuurlijk kapitaal;
ii. het verduurzamen van afval- en grondstoffenbeleid; en
iii. het versterken van een op de transitie gericht instrumentarium;
b. de directie Internationaal: i. advisering ten behoeve van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding op het terrein van internationale strategie en beleidsvorming;
ii. het verbinden van de internationale context met de nationale beleidsontwikkelingen;
iii. het waarborgen van de kwaliteit en coherentie van het beleid van het ministerie in het internationale veld;
iv. het coördineren en regisseren van de internationale functie binnen het ministerie;.
i. advisering ten behoeve van de bewindspersoon en de ambtelijke leiding op het terrein van internationale strategie en beleidsvorming;
ii. het verbinden van de internationale context met de nationale beleidsontwikkelingen;
iii. het waarborgen van de kwaliteit en coherentie van het beleid van het ministerie in het internationale veld;
iv. het coördineren en regisseren van de internationale functie binnen het ministerie;.
c. de directie Klimaat, Lucht en Geluid: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot: i. klimaatverandering;
ii. luchtkwaliteit en geluidhinder;
iii. luchtemissies industrie en verhandelbare emissierechten; en
iv. verkeersemissies en brandstoffen;
i. klimaatverandering;
ii. luchtkwaliteit en geluidhinder;
iii. luchtemissies industrie en verhandelbare emissierechten; en
iv. verkeersemissies en brandstoffen;
d. de directie Veiligheid en Risico’s: 1°. het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot omgevingsveiligheid en milieurisico’s op het gebied van: i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
2°. het coördineren van activiteiten met betrekking tot de relatie tussen milieubeleid en: i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
1°. het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot omgevingsveiligheid en milieurisico’s op het gebied van: i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
i. vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor en buisleidingen en door tunnels;
ii. gevaarlijke stoffen en nieuwe risico’s, waaronder chemische stoffen, nanodeeltjes, genetisch gemodificeerde organismen, elektromagnetische velden en asbest;
iii. gevaarlijke stoffen in risicovolle bedrijven en de omgeving daarvan; en
iv. biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw; en
2°. het coördineren van activiteiten met betrekking tot de relatie tussen milieubeleid en: i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
i. nationale veiligheid; en
ii. nucleaire veiligheid en stralingsbescherming; en
e. de programmadirectie Eenvoudig Beter: het ontwikkelen en implementeren van beleid met betrekking tot een eenvoudiger en beter omgevingsrecht.