BWBR0030951
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 20
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012
1. De directie Nederlandse emissieautoriteit staat onder leiding van de directeur Nederlandse emissieautoriteit.
2. De directie Nederlandse emissieautoriteit bestaat uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.
3. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Nederlandse emissieautoriteit zijn de afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
4. Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Nederlandse emissieautoriteit.
5. De directie Nederlandse emissieautoriteit heeft de volgende taken:
a. het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet milieubeheer, te ondersteunen bij de uitoefening van de aan dit bestuur ingevolge de Wet milieubeheer opgedragen taken;
b. de uitvoering van de handel in emissierechten, bedoeld in hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer;
c. de uitvoering van de hernieuwbare energie vervoer, bedoeld in titel 9.7 van de Wet milieubeheer;
d. de uitvoering van de regelgeving brandstoffen luchtverontreiniging; en
e. de verlening van instemmingen aan projectactiviteiten als bedoeld in het Protocol van Kyoto.
2. De directie Nederlandse emissieautoriteit bestaat uit afdelingen die onder leiding staan van een afdelingshoofd.
3. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur Nederlandse emissieautoriteit zijn de afdelingshoofden bevoegd om als plaatsvervanger op te treden.
4. Plaatsvervanging geschiedt voor het overige overeenkomstig daartoe strekkende instructies van de directeur Nederlandse emissieautoriteit.
5. De directie Nederlandse emissieautoriteit heeft de volgende taken:
a. het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet milieubeheer, te ondersteunen bij de uitoefening van de aan dit bestuur ingevolge de Wet milieubeheer opgedragen taken;
b. de uitvoering van de handel in emissierechten, bedoeld in hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer;
c. de uitvoering van de hernieuwbare energie vervoer, bedoeld in titel 9.7 van de Wet milieubeheer;
d. de uitvoering van de regelgeving brandstoffen luchtverontreiniging; en
e. de verlening van instemmingen aan projectactiviteiten als bedoeld in het Protocol van Kyoto.